Er is een stalletje van de Protestantse ijveraars, waar brochures en tractaatjes te koop, te kijk en te grijp liggen. Ze dragen beschimmelde titels: de schuilnamen der schrijvers zijn meestentijds ontleend aan de historie des vaderlands. 'Wat wilde Calvijn ?' door Maurits van Nassau; 'De waarheid over Michel Servet' door Frederik Hendrik, 'Onze kijk op het huwelijk' door Aleid van Poelgeest. Vlak naast deze wonderlijke uitstalling staat een man op een handkar. Hij is bombazijn gekleed. Aan zijn gelaat is te zien, dat hij het leed der wereld kent.
Zijn gestalte is fors, zijn schouders breed, hij heeft de houding van een standbeeld, want hij voelt zich in staat het leed der wereld te torsen ook. Hij vindt echter pas de zuiverste expressie van zijn diepste impressies, wanneer hij declameert. Vooral als hij verzen van anti-militaristische strekking reciteert komt dat verre in zijn ogen. Bij poëzie van atheïstische strekking is het visionnaire er ook wel, maar bleker en ietwat onbestendiger. Dat kan ook moeilijk anders, want zijn godloochenende gedichten dragen als voornaamste thema, dat de mens het belangrijkste van zijn bestaan nog niet weet. 'Ik weet niet of wij geschapen zijn met een doel. 'Of slechts bij toeval daar zijn.
'Ook niet of God of Goden zich vermaken met ons lijden.
'Als dit zo waar, dan zou dit vreeslijk zijn.'
Het gebed van de onwetende kabbelt lijzig een paar kilometer
verder totdat het Opperwezen de waarheid in het aangezicht
geslingerd krijgt:
'Mijn God, er is geen God.'
Het is een aangrijpend vers, al is de filosofie er van zo tam als de primaballerina in het vlooientheater. Multatuli wist het wel:
162