de kool, er zijn witte kolen, die een juffrouw en witte kolen, die een meneer zijn. Maar (en dat is de geniale vondst van kleine Cohennetje) eenmaal op de zoveel honderd rode of witte kolen, zijn de geslachtskenmerken een beetje in de war. Dan tref je een rode, die jongen en meisje tegelijkertijd is; of je treft een witte kool, die in z'n eentje een soort derde geslacht bezit. Nadat hij zichzelf van deze waarheden had doordrongen, is Cohennetje uitgetogen om de mensheid te leraren, dat er op geslachtelijk gebied geen afwijkingen en uitzonderingen bestaan, omdat alles in en door de natuur is geregeld. Orakelt hij:
'Alles wat in de natuur is, is normaal. Alleen de geheime wensen zijn de natuurlijke wensen.'
Eén dubbelgeslachtelijke rode kool kan de mensheid sneller overtuigen dan duizend woorden. Kleine Cohennetje is dus ononderbroken op jacht naar singuliere kolen. Zijn beroep is kladschilder. Hij besteedt een groot deel van zijn klein inkomen bij groenteboeren.
In de kring van zijn toehoorders gilt hij met zijn kop-stemme-tje:
'Meneer, wilt U even naar deze kool kijken. Hier deze is normaal, het is een vrouwelijke witte kool, dat kunt U zien aan de groei van het hart; dat daar zijn de vrouwelijke organen. En deze rode kool is mannelijk, kijkt U maar, op de zelfde plek zitten de organen, maar nu in het mannelijke, prachtig, die lijnen vindt U ook niet. En nou moet U eens naar deze kool kijken, asjeblieft, mannetje en vrouwtje tegelijk, en deze kool is weer anders.'
De omstanders bestuderen de groente met diepzinnige gezichten. Wat hun ogen zien, moet hun verstand geloven.
159