het voorbeeld overtuigend. Maar de kaai-man met de dichters-naam geeft zich niet gewonnen.
'Nee, meneer, U zit helemaal verkeerd op Uw apropos. Laten we nou eens even gaan ontleden wat U heeft gedacht, toen U mij nasprong. U loopt lekker zo'n beetje te soezen door de Utrechtsestraat. Goed. U komt op de brug van de Prinsengracht. Goed! Plotseling hoort U hulpgeroep. U kijkt en wat ziet U? U ziet mij in het water liggen. Bijna verdronken. Dat is een naar gezicht. Uw plezierige gedachten zijn op de vlucht gejaagd. U kunt de aanblik van mijn lijk niet verdragen. En wat doet U om die onaangename gewaarwording kwijt te worden ? U springt in het water... uit egoïsme, want U doet het voor Uw eigen plezier en niet voor mijn leven.' Zegt het van botte zelfzucht beschuldigde mannetje: 'U maakt daar niet zo een kleine vergissing. Neem me niet kwalijk, maar ik zal eerst Uw gedachten een heel eind volgen. Ik loop in de Utrechtsestraat. Goed! Ik loop aangenaam een beetje te soezen. Goed! Ik denk aan de kippesoep, die ik vanavond thuis zal eten, want het is vrijdag. Nog steeds: goed. Plotseling zie ik U in het water liggen, half-dood. U hebt een naar gezicht, zegt U. Goed! Niemand kan dat beter weten dan Uzelf. Tot zover ben ik het met U eens, maar nu zegt U: om aan Uw naar gezicht te ontsnappen, spring ik in het water. U bent mesjokke of U kent me niet. Ja, ik zal daar in het water springen. Ik kan immers helemaal niet zwemmen. Ik kijk wel uit. Weet U wat ik doe ? Ik loop heel hard door, dan raak ik dat nare gezicht op Uw lijk ook kwijt, en weet U wat ik nog meer doe ? Nee ? Ik roep tegen andere mensen: wie van jullie kan zwemmen, er ligt iemand in het water. Dat doe ik. Al ben ik dan een egoïst, ik ben niet van mijn zinnen.'
157