Naar strikte geografische normen gerekend ligt het Amstelveld beslist buiten de grenzen van de buurt tussen Waag en Wees-perplein. Wie verzot is op een diepzinnig debat, weet echter dat hij op maandagmorgen terecht kan op de ruimte achter de Utrechtse straat, waar vroeger Mr. Kokadorus smoesde en waar een bordje op de kerk vermeldt, dat Napoleon er nóg eerder zijn paarden stalde.
De volkstribunen, die door Leo Tolstoi zijn besmet met de waan, dat de wereld niets liever wil dan verbeterd worden, bestijgen hun stokpaardjes echter beslist niet vóór half elf. Vóór dat uur slingeren er echter al een stuk of wat mannen over de markt, die gekomen zijn om met de redevoerders van mening te verschillen. Ze zijn de vroegertjes. In afwachting van hun opponenten vergapen ze zich aan de wonderen van een vlekken-stift, dat smetten en moeten vliegensvlug uit pure zijde doet verdwijnen.
'Kijk, geachte toehoorders, ik dompel dit stukje zijdeinde geest van zout. Het verkleurt. Het wordt blauw. De scherpe specie bijt in de stof. Wegsmijten, denkt U. Waardeloos, zegt U tegen Uw vrouw. Mis. Hier, ik neem de vlekkenstift, ik doop hem in een spog water, ik strijk ermee over de bedorven lap zijde, en wat ziet mijn oor, wat hoort mijn oog, wat loopt mijn neus en wat ruikt mijn voet... asjeblieft, de oorspronkelijke kleur komt terug, kost maar één kwartje, vijfentwintig cents.' Een paar stalletjes verder staat een manneke achter een grote waterzuil. Door het glas heen kan iedereen zien, dat boven in de zuil een poppetje drijft. Dat poppetje is de kleine Thomas. Hij kan de toekomst voorspellen. Men koopt een enveloppe en overtuigt zich, dat er een blanco stuk papier in zit. Dat papier legt de eigenaar van Thomas onder de waterzuil.
152