'Is er iemand, die een vraag wenst te stellen ?' Geeft zich een mannetje op: één uit de hele vergadering. 'Meneer de voorzitter, als de partij van de spreker van hedenavond het dan zo goed met iedereen voor heeft, waarom verkoopt die man dan zulke dure sof-dassen ?' De vraag kleeft voortaan aan de geachte redevoerder als pek. Hij kan zich in geen opkamertje of insteekje, in geen vergaderzaaltje, klein of groot, meer vertonen. Telkenmale worden zijn principiële volzinnen onderbroken door het tussenwerpsel: 'Sofdassen... en peperduur.' Hij is de enige politicus die kan zeggen: 'Ik ben over mijn eigen das gestruikeld.'
Niet echter altijd wint de spot het in het politieke debat. Er zijn sprekers, die tegen elke interruptie opgewassen zijn. Men vindt hen overal. Zij behoren tot het volk, dat in twee duizend jaar eenzaamheid met het Boek, het gewicht van elk woord tot op een milligram nauwkeurig heeft gemeten. Zij jongleren met woorden. Zij spelen met lichte versprekingen, die de strekking van hun betoog een bijzondere glans geven. Zij werpen mopjes omhoog als kleurige ballen, veel tegelijk. Zij laten liever drie goede argumenten dan één mop ongebruikt. Zegt zo'n spreker:
'Onze tegenstanders beweren, dat zij niet in de klassenstrijd geloven. Zij doen mij denken aan het meisje, dat niet geloofde, dat de ooievaar bestaat en nou moet zij eraan geloven.' Zulke bon-mots gaan de hele buurt door. Zij kunnen wankelende kiezers van mening doen veranderen. Iemand, die zoveel gijn heeft, kan immers nooit ongelijk hebben. De echte gijnponum is gans en al niet afkerig van woordspelingen op de naam van zijn
150