Als politiek gevaar is het manneke nauwelijks van enige importantie. In het allerergste geval kan hij één zetel bezetten. Maar hen prikkelt vooral de gedachte, dat hij met duizenden guldens smijt, terwijl zij zelf, die immers voor een goede zaak strijden, elk koperen half centje moeten uitzuinigen. Wat kunnen ze ondernemen tegen honderden aanplakbiljetten, die duizenden vierkante meters reclamezuil in beslag nemen ? Wat tegen kilometers beschilderde schuttinglengte ? Waar ze kijken, overal grijnst hen die irriterende vraag in 't gelaat: weet u dat...
Totdat een gijnponum de oplossing vindt. Hij betrekt een paar samenzweerders in het diepe geheim. Diezelfde avond zeggen de mannetjes van de Stadsreiniging tegen elkaar: 'Eigenaardig. De paarden in de Jodenhoek hebben vandaag zeker geen eetlust gehad. Ze hebben bijna niks laten vallen.' Weten die mannetjes véél! Grappenmakers zijn hen voorge-weest. Die hebben paardevijgen gelezen van politieke distelen. Als de buurt de volgende ochtend wakker wordt, is de letter W op alle aanplakbiljetten, en alle schuttingen onzichtbaar gemaakt door iets, dat des paards is:
׳eet u dat...' De rijke candidaat is nooit lid van de Gemeenteraad geworden; een paardevijg op de juiste plaats aangebracht won het van zijn vette portemonnaie.
Ongeacht de felheid van hun politieke kleuren, bezitten de bewoners van de buurt een koddige nuchterheid waarmee ze dwars door het klatergoud van valse pathos heen kunnen kijken. Wanneer een paar jaar later een andere rijkaard door de
148