nochtans niet van inzicht wil veranderen, geeft immers blijk van een misdadige aanleg. Het is dus geen toevallige verspreking, als een voorzitter tot zijn auditorium zegt: 'Is er misschien iemand, die met de spreker van hedenavond van gedachten wil verwisselen ?'
Gelukkig echter is er ook het nooit falende gevoel voor humor, dat vriend en vijand gemeen hebben; het voorkomt, dat de tegenstellingen te schril, de vijandschap te grof, de afkeer echt gemeend zal zijn.
Is er een candidaat, die zich heeft voorgenomen liever doodarm te worden, dan die éne zetel in de gemeenteraad door iemand anders dan door zichzelf te laten bezetten. Aangezien echter geen enkele gepatenteerde politieke partij bereid is deze en alle andere ambities die hij koestert, integraal te verwezenlijken, richt de eerzuchtige een nieuwe partij op. Hij begint een eigen zaak. Hij is voorzitter, secretaris en penningmeester van het bestuur; hij is bovendien het enige lid. Eigenlijk is hij alleen maar penningmeester. Hij betaalt alles zelf, uit eigen zak. De propaganda voor zijn unieke candidatuur verslindt een burgermansvermogen. Maar dat deert hem niet, want hij heeft de broek niet kapot. Hij pakt de reclame voor zijn eigen standje grondig en in elk geval hoogst oorspronkelijk aan. Hij doet enorme aanplakbiljetten vervaardigen. Bovenaan staat met zware Sinterklaasletters:
weet u dat... En dan volgt er een hele rol van Esther met dingen, die de lezers geacht worden te moeten weten, willen zij althans een kans hebben voortaan gelukkig door het leven te gaan. Alle arme mensen in de buurt ergeren zich aan deze reclame.
147