vermoeden, dat daar de beloofde klant drentelt, overvloeiende van een beetje melk en een piezeltje honing. Nu staat de stoepjee op een kruising van wegen. Hij kan de familie Venetiaander aanspreken. Hij kan ze ook niet aanspreken. Spreekt hij ze aan, dan is zijn onderhandelingspositie iets verzwakt. Maar als hij ze negeert, heb je kans dat ze doorlopen en door een andere spin in een ander web worden gevangen. Wat doet een mens als hij de keus heeft tussen twee mogelijkheden ? Hij gebruikt een derde. De stoepjee wendt onwetendheid voor of, zoals de term luidt: hij houdt zich onnozel. 'Dag meneer Venetiaander, ja, ik ken U wel, ik zie U wel eens met meneer Wagenaar lopen. Mooi weer, hè ? Een beetje aan de wandel? Nou, amuseert U zich maar, a propos, dat jongetje van U is een jaar of elf denk ik, nou, dan heeft hij nog de tijd met een barmitzwahpak, affijn, tegen de tijd dat het zover is moet U nog maar eens langs komen.'
Dat schot is altijd raak. Het is zonder mankeren de moeder, die, een beetje gekrenkt, eruit flapt:
'Elf jaar... zo'n flinke jongen. Over veertien dagen wordt hij Barmitzwah, als God wil.'
Daarna is het een koud kunstje voor de stoepjee de visjes aan de sim te houden.
Bij de drempel van de winkeldeur houdt zijn officiële taak op. De bedienden binnen moeten voor de rest van de transactie zorgen. Behalve wanneer de klanten inderdaad kennissen van de stoepjee zijn, die bijzonderlijk door hem geholpen willen worden. Wie een stuk textiel moet kopen, gebruikt daarbij graag de bijstand van een meiwe, een deskundige, een kenner, een man, die het verschil kan ruiken tussen zuivere wol en eer-
140