wordt verkocht. Daarvan is de naam afgeleid: stoepjee. Vrouwelijke stoepjees komen niet voor, zelfs niet als uitzondering. Dat is geen toeval. Zijn voornaamste functie is immers voorbijgangers aan te spreken. Hij moet hen bewegen voor de uitstalkast te blijven staan.
'Heeft U niks nodig ? Hindert niks hoor. Kijken kost geen cent. Misschien is er iets bij, nee, niet voor U, maar voor een kennis of zo.'
Wie voor de winkel blijft staan, heeft al voor driekwart zijn verzet opgegeven. Laat het dan maar verder aan de stoepjee over de klant de winkel binnen te lokken.
De stoepjee mag nooit brutaal worden, chutzpah prikkelt de mensen tot verzet. Hij moet een tong van fluweel in de mond dragen. Maar hij mag er nooit misbruik van maken. Er zijn stoepjees, die iemand aan het begin van de straat een vals gebit kunnen verkopen en in staat zijn het aan het eind van de straat terug te kopen tegen de helft van de prijs. Zulke lokkers zijn echter bekend als de bonte hond. De mensen maken liever een omwegje dan voorbij de winkel te gaan, waarzo'n tijger op de loer ligt. Omdat ze vrijwel geheel van provisie leven, zijn arrogante stoepjees dus slechte kostwinners. De stoepjee dient een gezicht te kunnen trekken waar de Jeho-veaanse al-omvattende goedheid van afdruipt. Als hij kleine kinderen aanhaalt, moeten de moeders het trotse gevoel hebben dat hij niet schmeichelt.
'Och, wat een sjatsie, unbeschrieje unberoefe. Wil U wel geloven, elke dag gaan hier duizenden kinderen voorbij, maar zó'n beeld, nee, dat zie je maar één keer.'
Een stoepjee is een makelaar pur sang. Zijn speurend oog en
135