van echt mensenhaar. De pruik wordt alleen maar gedragen bij bruiloften, op recepties, en verder overal daar waar een feestelijke stemming moet heersen.
Jonge en oude vrouwen dragen tussen de rokken en de lange grove broek van keper een linnen zak, die met een band om het lichaam wordt geknoopt. In die zak wordt het geld bewaard. Halbes, centen, vierduitstukjes (die voor de gasmeter nodig zijn), dubbeltjes en kwartjes. De muntstukken zijn veilig opgeborgen in beursjes en knipjes van geschubd metaal of van fluweel met een beugel voor de sluiting. Tussen rok en broek zijn ze veilig voor de brutaalste zakkenroller. Geld tevoorschijn halen noemen de vrouwtjes: over mijn zak gaan. De vrouwen kopen haar kledingstukken zelden in een winkel. Ze prutsen zelf iets, maar meestal zijn ze klant bij een goedkope huisnaaister in de buurt. Die komt 's morgens om een uur of negen aansjokken. Ze wordt voorafgegaan door een jongen, die de handnaaimachine komt brengen. De Singer is te zwaar om door een zwakke vrouw te worden getorst.
De kledij voor jongens en volwassenen, komt wel uit winkels. Tussen winkelier en klant heeft de stoepjéé zich een plaatsje geüsurpeerd; maar hij is geen parasiet, oh nee, bij lange na niet. Het is nooit helemaal •opgehelderd, waarom een stoepjee beslist klein van stuk is. Maar hij is zelden groter dan één meter zestig. Misschien bezit zijn baas een geheimzinnig psychologisch inzicht, dat hem waarschuwt: lange stoepjees overdonderen de toekomstige klanten door de formidabele afmetingen hunner gestalte. Een goede stoepjee bluft niet, hij wekt vertrouwen. Zijn werk is zeer subtiel van aard. Daarom: kleine mannetjes. Zijn werkplaats is de stoep vóór de winkel, waar herenconfectie
134