'Ik misselijk ? In het begin wél, maar dat is al jaren geleden. Nou weet ik niet beter. U moet maar zo denken: mijn klanten en ik staan allebei aan de toonbank voor ons broodje. Waar een mens zijn broodwinning heeft, daar heeft hij het goed.'
Is de broodjeswinkel een verdwenen broodwinning of heeft deze nering zich gehandhaafd? Soms geloof ik toch dat ze verdwenen is tegelijk met de klanten. In onze dagen zijn er weliswaar nog broodjeswinkels bij de vleet, maar ze zijn van individueel instituut gedegradeerd tot de massa der frietkramen en automatieken, waar de gebraden Hamburgers of de klanten komen toewalmen.
Broodwinningen veranderen, al zijn de verse fijntjes eeuwig. Maar er zijn manieren om de kost te verdienen, die hebben bestaan en die nooit meer terugkeren. Is er iemand jonger dan veertig jaar, die nu nog weet wat een ouwerwetse stoepjéé was, of, zoals deftig werd geschreven, stoepier ? Het was een vreemd en boeiend beroep. Onverbrekelijk verbonden met de belangstelling der Joden voor kledingstukken.
De oude weduwvrouwtjes, hoe arm ze ook mogen zijn, beschikken over drie soorten hoofddeksels. Door de week zijn hun grijze dun-behaarde hoofdjes bedekt met katoenen zwarte mutsjes, die met een bandje om de kin worden vastgehouden. In de kast ligt een zwart kanten mutsjes, begraven onder de kam-ferballetjes, de hele week op het aanbreken van de Sabbath te wachten. Bij het katoenen door-de-weekse mutsje draagt het vrouwtje op straat een vrij grove zwarte omslagdoek. Op de Sabbath past bij het kanten luchtigheidje uitsluitend een zwarte doek van chenille-wol gebreid. Voor de allerhoogste hoogtijdagen ligt in een doos in de kast een bandeau, een pruik met een witte scheiding in het midden en met de geschulpte randen
׳133