daarbuiten. Als het huwelijk eenmaal voltrokken is, doet iedereen zijn best de haast van het jonge paar zo snel mogelijk te vergeten. Ongehuwde moeders zijn er nauwelijks. 'Nou ja, we zijn zelf ook jong geweest en we zullen maar rekenen: als ze niet in kimpet had gemoeten, waren ze misschien nog jaren verloofd geweest en dat is nog veel erger.' In tegenstelling tot alle andere feesten, is een huwelijk een plechtigheid, waarbij veel wordt gehuild. In de eerste plaats natuurlijk door de mensen, die zich hun eigen chupah herinneren. Toen zaten ze in dezelfde bank in dezelfde synagoge. Ze behoeven de ogen niet te sluiten, want tranen benevelen reeds hun blik. Ze zien weer de gasten van jaren terug. Daar zaten hun eigen vader en moeder. En de rabbijn hield toen zo'n mooie droshe. Zoveel jaar is dat al geleden; in gedachten noemen ze namen van de familieleden die inmiddels gestorven zijn. Als het glaasje echter vergruizeld is, dat symbolisch herinnert aan de gebrokenheid van de Joodse ziel, zolang de verstrooiing duurt, en als de gasten luide 'Mazzeltof' (veel geluk) roepen, eindigt de droefheid subiet. Nu komen de uren der feestvreugde, laat de muzikanten komen. En de beroepskomiek. Slechts één van de gasten blijft droevig gestemd. De moeder van de bruidegom. Vol feestelijk geluk zit ze temidden der gasten. Haar vreugde is echt, maar ze kan er nu eenmaal niets aan doen, telkens springen haar de tranen in de ogen. Ze denkt aan de dagen, toen hij nog klein en hulpeloos in haar armen lag, aan de pijn, die zij heeft gevoeld toen hij op de achtste dag van zijn leven werd besneden; ze denkt aan de bloedneus waarmee hij thuiskwam en toen hij troost vond bij haar; ze denkt aan zijn Bar Mitzwah, aan zijn eerste lange broek, aan de eerste keer dat hij met zelfverdiend geld thuiskwam.
102