om met zo weinig gegevens zo weinig mis te varen. Daar neem ik mijn petje voor af.'
De baai bleek bezaaid te zijn met wrakhout. Op het strand lagen stapels hout, dat door de vorst zo droog als gort geworden was. Nederlanders en Amerikanen maakten van dat hout een reusachtige brandstapel. Evenals de vorige dag werden de emmers schoon en blank geschuurd. De Amerikanen ontdekten, dat niet ver van de baai een eendenkolonie zat te broeden. 'Marollen', zeiden de Nederlanders.
'Kan me niet schelen hoe ze heten, als je ze maar kunt eten', zei Bill Cameron.
De eendenkooi bleek onder een ijswalletje van misschien een meter hoogte te liggen. Er zaten honderden eendjes bij elkaar. De beestjes hadden blijkbaar nog nooit mensen gezien. Ze waren niet schuw. De mannen van de sloepen - de andere twee van de 'Paulus Potter' waren intussen ook aangekomen - gingen aan de andere kant van het ijswalletje liggen. Ze hadden lange stokken bij zich, en aan het eind van elke stok bengelde een lus. Die schoven ze rustig om de hals van een eend, en dan hesen ze het beestje over de ijswal. 'Net als Willem Barentsz', dacht Dirk, toen hij zijn eerste eend over het walletje trok.
De eendjes waren klein maar vet. Ze vingen er honderden van. Ondertussen was het houtvuur op het strand hoog opgelaaid. Emmers en grote ketels, die de Amerikanen uit hun sloepen hadden gehaald hingen boven de vlammen. Alles wat eetbaar was, ging in de pot: vlees uit blikjes en beschuit en ook wat eendjes. Maar de meeste marollen werden geroosterd.
In de kring rondom het vuur was het behagelijk warm. Het eten smaakte als een koningsmaal. Een lome slaperigheid begon zich van de mannen meester te maken.
Maar al te lang zouden ze daar niet blijven. De Amerikaanse kapitein en stuurman van der Mey, stonden gebogen over de kaarten. 'We moeten verder mannen. Over land is de Russische basis niet te bereiken, tenzij met de grootste ontberingen. Veel verstandiger is het weer in de boten te gaan.'
Maar twee van de elf Russische passagiers, die in de Amerikaanse sloepen hadden gezeten, zeiden, dat ze het varen beu waren. Ze zouden wel gaan lopen. Ze wisten nu welke richting ze moesten
176