Tegen de avond kwam Nova Zembla inderdaad in zicht. Koel en onherbergzaam verrees de rotsige kust in de verte, maar de schipbreukelingen scheen het een paradijs toe met wuivende palmen en heet zand. Eindelijk zou de barbaarse tocht een einde nemen. Eindelijk zouden ze vaste grond onder de voeten voelen, en dan moesten ze zorgen zo gauw mogelijk de Russische basis voor watervliegtuigen te bereiken. Maar van landen kwam die avond nog niets. De branding sloeg met voorwereldlijk geweld te pletter tegen de rotsen. Een landing moest met grote omzichtigheid gebeuren. Het daglicht moest worden afgewacht, voordat men een plek kon vinden, waar de zee minder onstuimig was, want alleen in stil water zou men de venijnige punten en pieken kunnen zien, die onder de oppervlakte dreigden de kielen der boten open te scheuren. Evenwel, het land lag voor hen, en het besef, dat de komende nacht wellicht de laatste zou zijn van ontbering, gaf velen nieuwe hoop. 'Het wordt hoog tijd, dat we aan de kant komen', zei stuurman van der Mey. 'In één van de sloepen is het drinkwater op. De stommelingen hebben zeewater gedronken - dat is puur vergif onder deze omstandigheden. Enfin, morgen is de ellende voorbij.' Het gelukte hen op een betrekkelijk stil punt in een kleine baai aan land te gaan. Maar zevenentwintig man van de drieënzeventig konr den niet meer lopen. Onder hen was kapitein Sissingh. Stuurman van der Mey nam het zware lichaam van zijn kapitein op zijn brede schouders en behoedzaam, als ware de volwassen man een baby, droeg hij hem op het land.
Het land was bar en troosteloos, op het verblindende wit van ijs en sneeuw piekte slechts hier en daar een beetje groen: rendiermos. Maar uit een rots vlakbij stortte een watervalletje omlaag. Helder drinkwater, ijskoud en tintelend.
De schipbreukelingen dronken niet, neen, ze zogen zich als sponzen vol met het heldere water. Ze konden er niet genoeg van krijgen. Steeds weer opnieuw lieten ze het klaterend water in hun dorstige kelen lopen.
Op een heuvelachtig stuk rots niet ver van hen verwijderd stond een baken.
'Zeuntje', zei stuurman van der Mey tegen Dirk, 'heb je zin en kracht om mee naar boven te klauteren? Ik denk, dat ze bij dat baken wel een paar aanwijzingen zullen hebben aangebracht.'
171