Hij wees met een hoofdknik in de richting van kapitein Sissingh, die half verdoofd scheen te sluimeren.
'De arme kerel heeft het zwaar te pakken', zei de stuurman, 'ik heb hem vanmiddag nog gewreven, maar ik ben bang, dat zijn voeten de kou te pakken hebben. Zijn benen zijn opgezet. Hij zei tegen me: 'Stuurman, wat lig je toch aan mijn voeten te frunniken. Ik voel er immers niks in, alleen een beetje geprik af en toe.' Nou, dan is het mis. Trouwens, hij is niet de enige, vrees ik, er zijn er meer aan boord, die bevroren ledematen hebben. Enfin, laten we er maar het beste van hopen.'
'Waar zouden mijn vader en moeder zijn op dit ogenblik?' vroeg Dirk hardop, 'en Lien... Lien is mijn vriendinnetje, weet U.' 'Zeuntje, daar moet je niet aan denken. Als je hier doorheen wil komen, moet je dat soort gedachten over boord gooien, anders ga je er onder door. Als we eenmaal op de wal zijn, mag je denken watje wilt, nu niet.'
De eerste nacht vergleed, en de tweede dag zeilden ze verder en toen kwam de volgende nacht, en weer een dag... en altijd bleef de zee zwart met witte koppen en in de verte glinsterde het ijs en altijd voeren ze onder de hoge koepel van de koude hemel. De stemming in de sloep was hoe langer hoe slechter geworden maar na de derde dag zakte zij plotseling geheel in. Drie etmalen had men geen warm voedsel genuttigd. Er werd dorst geleden. Het aantal patiënten met bevroren ledematen nam gestadig toe. Deze arme mensen, waaronder de kapitein, konden niet meer staan. Hun benen en voeten zwollen wanstaltig op. Tot overmaat van ramp verdween de zon achter een grijs dek van dikke wolken. Vinnige sneeuwjachten striemden de sloepen. Slechts een paar mannen waren nog in staat het roer te houden, en van hen werd het bovenmenselijke gevergd. Uren en uren stonden ze aan het roer, koude, wind en sneeuw trotserend. 'Als dit nog eens drie dagen moet duren', dacht Dirk, 'is het afgelopen. Dat houdt geen sterveling uit.' En weer vergleed een dag, en de vijfde dag brak aan. 's Middags schoot stuurman van der Mey met zijn sextant de zon. Hij maakte zijn berekeningen en vergeleek die met andere gegevens. 'Als ik het goed heb', riep hij, 'zijn we nog een 45 kilometer van Nova Zembla af. We blijven pal oost varen, dan moeten we er komen.'
170