'We varen goed', zei hij, 'zo heel erg mis kunnen we niet wezen.' En zo ging de eerste dag voorbij. De eerste nacht in een open boot in de koude wateren brak aan. Dirk had de raad van de stuurman ter harte genomen. Werktuigelijk wreef hij zijn voeten. Gelukkig bleven ze warm. Maar hij had het nog nooit zo koud gehad als die eerste nacht. Het enorme gewelf van de Poolhemel koepelde over hun hoofden. Kort waren de nachten, en helemaal donker werd het eigenlijk nooit.
Er waren slechts weinig sterren te zien, alleen de sterren van de eerste grootte prikten door de grijzige achtergrond van de hemel heen. De meeste mannen sliepen. Onrustig woelden ze heen en weer. Ze lagen zo goed en kwaad als het ging, schots en scheef door elkaar. Dirk leunde tegen het zijboord van de boot. Hij had een paar uur geslapen. Nu was hij klaarwakker. Een merkwaardig gevoel van vertrouwen in de goede afloop van dit hachelijk avontuur vervulde hem. Hij besefte, dat hij dit vertrouwen vooral dankte aan de rustige figuur van stuurman van der Mey, die onaandoenlijk scheen voor alle tegenslagen. 'Redden we het, stuurman?' vroeg hij.
'Met Gods hulp, ja! We moeten proberen de zee de baas te blijven. Ik kom van Ameland en de meeste van mijn voorvaderen zijn zeelui geweest. Ik heb het varen zogezegd in het bloed. Ja, als God wil, komen we hier wel door. Tenminste, als de kou ons niet de baas wordt.'
169