Stuurman van der Mey met zijn zware brede corpus ging rechtop in de sloep staan. Zijn stem klonk hard en bevelend, toen hij de jammerende jonge matrozen de mantel uitveegde. 'Wat zijn jullie voor knullen?' donderde hij. 'Hier, kijk liever naar de getrouwde mannen in de boten. Die hebben vrouw en kinderen thuis. Dacht je, dat die niet aan huis denken? Maar nee, jullie melkmuilen en blagen moeten gaan zitten snotteren. Dachten jullie, dat jullie gebalk ook maar een ziertje helpt? Schaam je.' Deze ernstige woorden schenen te helpen. De jonge matrozen slikten althans hun angsten weg. Stuurman van der Mey gaf aanwijzingen voor de koers. Hij zou voorgaan in de motorsloep. De motor wilde echter niet meer draaien, zodat ze besloten verder te zeilen. 'Nog wat', zei hij. 'Ik heb de mondvoorraad bekeken. Alles en alles meegeteld hebben we eten voor twaalf dagen, maar denk erom, niet meer dan het voorgeschreven rantsoen. En nog wat - hij hier telt ook mee, 'en met deze woorden wees de stuurman op het hondje Mascotte, dat vrolijk kwispelstaartend tussen de mannen zat. In de sloep van de stuurman stond flink wat water. 'Hozen, mannen', zei de stuurman, 'in de kou met natte voeten zitten is ook niet alles en bovendien zeil je er alleen maar zwaarder door.'
Eén van de oudere leden van de bemanning zei met een stuurs gezicht:
'Hozen? Dat vertik ik. Daarvoor ben ik niet aangenomen.' De man was kennelijk over zijn zenuwen heen en wist nauwelijks wat hij zei.
Stuurman van der Mey greep in de achterzak van zijn broek en haalde een revolver tevoorschijn, die hij dreigend op de man richtte. 'Broertje', zei hij langzaam en elk woord scheen duizend kilo te wegen, 'Broertje, nou geef ik je een goeie raad. Je gaat als de wiedeweerga hozen en anders schiet ik je een kogel in je huid, begrepen? Je doet watje bevolen wordt, en geen babbels.' Er scheen een schok door het lichaam van de morrende man te gaan. Hij keek stuurman van der Mey strak aan en zei: 'Dank je wel, stuur, je hebt me weer bij mijn positieven gebracht. Ik wist niet wat ik deed.'
'Ik wist het wel', zei stuurman van der Mey, 'en ik herhaal: volgens recht en wet staat op insubordinatie onder deze omstandigheden de
166