'De schotten van de kolenbunkers zijn kapot', rapporteerde Kluwen 'en de kolen zijn in de machinekamer en op de vuurplaat terechtgekomen. Er kan niet meer gestookt worden. Aan opruimen valt onder deze omstandigheden niet te denken.' Even later ontsnapte een grote dichte wolk stoom uit de machinekamer. Beneden in de diepte van het schip werd een onheilspellend gesis gehoord.
'Zeker weet ik het niet, maar ik krijg de indruk, dat de hoofdstoom-leiding kapot is', zei Kluwen. Naakte bezwete mannen kwamen uit de machinekamer naar boven.
'Beneden is de hel losgebroken', riepen ze, 'je kunt in die gloed van vuur en stoom niet blijven.'
Terwijl dit alles plaatsvond, bleven de aanvallen der zeven bommenwerpers aanhouden. Maar de mannen aan het geschut vochten door. Het was nu erop of er onder. Twee Duitsers werden neergeschoten. Ze vielen te pletter en verdwenen in de golven. Maar de overblijvende vijandelijke vliegtuigen lieten niet af. De twee koopvaarders verkeerden reeds in zinkende toestand. Daar werden de sloepen gestreken.
Anderhalf uur duurde de ongelijke strijd. Toen liet kapitein Sissingh weten:
'Onze munitie raakt op. De stuurmachine is onklaar. Er zit niets anders op dan dat we het schip verlaten.'
De mannen stelden zich zo ordelijk mogelijk op bij de sloepen, die reeds buiten boord gedraaid waren en nu ter hoogte van het dek hingen.
'Ik vertik het', riep de machinist Kluwen plotseling, 'denk je dat ik in die tobbes ga? Aan me nooit-niet.' 'Waarom niet?' werd er geroepen.
'Dacht je, dat de Duitsers ons zo maar laten wegroeien? Nogal lekkere jongens, die moffen. Neen, let op wat ik jullie voorspel: zodra je de sloep hebt gestreken komen die salamanders naar beneden en zetten het machinegeweer op jullie.' 'Wat doe jij dan?'
'Ik ga wel ergens in een gangetje liggen. Zó dood of zó dood, maar liever niet door een mitrailleurkogel.'
Het hondje Mascotte kwam te voorschijn. Gedurende de felle gevechten van de afgelopen dagen had niemand veel aandacht aan het
161