'Kan ik binnenkomen?'
Het was de eerste stuurman van der Mey.
'Kan het zeuntje niet slapen?' vroeg hij op vaderlijke toon. 'Nou, dat is te begrijpen, hoor, je hebt nogal wat meegemaakt vandaag.' Hij ging bij Dirks kooi zitten.
Enkele minuten zei geen van beiden iets. Toen zei de stuurman: 'Ja, jongen, je hoeft me niets te zeggen. Ik begrijp het volkomen. Die strijd met jezelf, die jij nu voert, die hebben we allemaal moeten uitvechten en eigenlijk begint dat gevecht binnen in ons eigen hart elke dag opnieuw. Ik denk aan mijn vrouw en kinderen. Toen de moffen de stad platbrandden, zaten die in Rotterdam, misschien zitten ze nou op Ameland, daar komen we vandaan. Zoals ik bekommerd ben om hen, zo vreten zij zich op van onzekerheid, als ze aan mij denken. Maar geloof me, dat is nog niet het ergste van deze oorlog. Wat moet er van de wereld terechtkomen? Je hebt vandaag voor het eerst een mens zien sterven; over de hele wereld zitten jongens van jouw leeftijd in vliegmachines, ze gooien bommen neer en ze weten, dat door één druk van hun hand op een klein knopje ver beneden hen duizenden mensen sterven, mannen, vrouwen, grijsaards, kinderen... in Londen, Berlijn, in Moskou en daarginds in Azië. Toen die jongens hun eerste slachtoffers maakten, geloof me, toen zijn er heel wat van hen onpasselijk geworden, net zoals jij vandaag, maar dat went wel. Je stompt af. Moorden en doodslaan
153