gespannen; zenuwachtig in de gewone zin van het woord was niemand, het was een tot maximale hoogte opgevoerde waakzaamheid. Het enige wezen aan boord, dat zich van al dat malle mensengedoe niets aantrok was Mascotte, de hond. Die liep kwispelstaartend over het dek, snuffelde aan elk stukje van de verschansing, lichtte hier en daar zijn pootje op en bedelde voortdurend in de kombuis om lekkere hapjes.
'Zo'n stom beest is veel verstandiger dan wij', filosofeerde de eerste machinist Kluwen, 'hij heeft geen vijanden, en hij krijgt van iedereen een aai en voor de rest herinnert hij zich niets van de dag van gisteren en over morgen denkt hij helemaal niet. Een mens moest eigenlijk ook gewoon bij de minuut kunnen leven.' Mascotte trok zich er niets van aan, dat zijn hondeleven zo geïdealiseerd werd. Alleen de meeuwen, die rondom het schip cirkelden, schenen de rust van zijn wereldje te verstoren. Als er één van de vogels boven het schip kwam, rende de hond als een bezetene, luid blaffend op het dek in het rond. Blijf van mijn schip af, scheen hij te roepen. De schrik van zijn hondeleven kreeg Mascotte echter, toen een dag na het vertrek oefeningen met het afweergeschut werden gehouden. De Engelse kanonniers stonden aan het geschut, de matrozen reikten de munitie aan. Het geratel van de Colts, het geblaf van de Oerlikons, die hun honderden kogels per minuut wegschoten en met lichtkogels de baan aangaven, die ze met hun dodelijk vuur bestreken en daarboven uit het merkwaardige geluid van de Vampierraketten, die heel hoog in de lucht hun kogels deden ontploffen en daar vouwde zich dan een parachute uit (als een bloem, dacht Dirk) met een dodelijke bom er onder aan gebonden. De hond was bij al dat lawaai doodsbang achter een vlot weggekropen, maar toen het even stil was, nam het beest een sprong en verdween in de houten kuip midden op het vlot. Daar onder de dekking van het houten overstekende kantje bleef Mascotte zitten. 'Dat beest heeft geen verstand', zei Bill Cameron, 'hij denkt, als er wat mis gaat, zitje op zo'n vlot het beste.' 'Als je het mij vraagt', zei de eerste machinist Kluwen, 'heeft hij nog gelijk ook. Een sloep is maar licht en als het ding lek slaat, nou vergeet de rest dan maar. Maar op zo'n vlot zitje veilig, tenminste betrekkelijk dan. Beter tien vlotten in de hand dan één reddingboot in de lucht.'
142