schillende kringen in Jeruzalem en in de diaspora. Het antwoord van sommigen was: het wijzen op de activiteit van het 'Instituut voor ontwikkeling der Diaspora’ dat de Jewish Agency te Jeruzalem heeft opgericht. Hoe nuttig de werkzaamheid van dat instituut ook moge zijn — zijn werk kan geen antwoord zijn op de vraag hierboven gesteld. Het gaat er niet om of in de diaspora Hebreeuws geleerd wordt — Joodse geschiedenis wordt bestudeerd — Bijbel wordt gelezen (hoe ontzaglijk nodig deze dingen ook zijn, wil er een Joodse levensinhoud blijven bestaan) maar of de werkelijkheid van Israël — het leven in Israël in al zijn schakeringen zo doordrongen is van de essentiële waarden van het Jodendom, dat hierdoor de Jodenheid in de diaspora wordt geïnspireerd en gebonden.
Dat de Jood in ballingschap verbonden is met Israël hebben wij reeds gezien. Is deze binding alleen een sentimentele binding aan een verleden of geeft zij richting aan zijn hoop op de toekomst? Betekent alleen de redding van ongelukkige Joden in de vluchthaven Israël iets voor hem of is de geest van Israël de kracht die zijn leven uitheft boven de ellende of boven de glans van zijn dagelijks bestaan en het stelt onder een hoger motto en op een hoger plan? Als Israël deze taak nog niet kan vervullen — wat moet er gedaan worden om dat mogelijk
86