de vraag op naar de betekenis van het centrum dat Israël kan en moet zijn. Al zijn de stemmen die verklaarden, dat het Joodse centrum bij uitstek New-York zou moeten zijn nog niet geheel verstomd, de andere mening die berust op het profetenwoord, dat ’de Leer van Zion zal uitgaan en het Woord van den Eeuwige uit Jerusalem’ wordt bijna door iedereen geaccepteerd.
In Zion echter zijn de problemen van iedere aard zo groot en is de strijd om het naakte bestaan zo intens, dat men (zo zeggen het velen) ’geen tijd heeft voor deze dingen.' De drang om zich rekenschap te geven van wat er gebeurt en wat Israël zou moeten zijn leeft wel, maar wordt bedolven onder de stroom van de moeilijkheden van, ik zou bijna zeggen, biologische aard, die om een onmiddellijke oplossing vragen. Prof. Simon kon daarom in het Jaarboekje 5712 (1951) van de uitgeverij Schocken komen met de opzienbarende vraag: 'Zijn wij nog Joden?’ en Prof. Buber kon tijdens een conferentie in Parijs in 1951 spreken over de betekenis van de centra in de diaspora voor de geestelijke vorming van Israël. Wanneer Israël niet de geestelijke achtergrond der Joodse renaissance vermag uit te dragen, hoe kan dan deze renaissance van invloed zijn op het gehele Joodse volk?
Ik heb deze vraag herhaaldelijk gesteld in ver-
84