lucht, of als de bijna zwarte regenwolken jagen langs het uitspansel, tot somberheid neigde. Het had iets, dat den indruk gaf alsof het behoorde tot een vóór-historisch tijdperk, een absolute, wilde verlatenheid. Den voor indrukken vatbaren mensch, die daar op de Drentsche heide stond, op een grauwen winterdag, tegen het vallen van den avond, in het falende licht, was het, alsof hier werkelijkheid geworden was het tweede vers van het eerste kapittel van het boek „Genesis”: De aerde nu was woest ende ledig ende duijsternisse was op den afgrond . . .
Daar is ook zooveel anders in Drenthe, dat aan een verwijderd verleden herinnert: de Hunebedden, stapelingen van geweldige steenklompen bij Tinaarloo, bij Rolde, Borger en Gieten, de „dolmen” van ons land, welken ouderdom zelfs niet bij benadering kan vastgesteld worden en binnen onze grenzen alleen in dit gewest te vinden; en daar zijn ook de wijde uithollingen, de kuilen, waar wie weet welke volksstammen hun „thing” en hunne terechtzittingen hielden.
Ja, het was wel droefgeestig daar op de Drentsche heide, met haar jammerlijke plaggenhutten en vervallen schaapskooien en armelijke dorpjes, en men moet erkennen, dat het lofwaardig is, er naar te streven iets meer welvaart te brengen aan de kwalijk bedeelde bewoners dezer oorden. Maar of deze pogingen zullen slagen, of de menschen er beter en gelukkiger door zullen worden, is een vraag, die slechts de toekomst kan beantwoorden. En hoe het antwoord ook moge luiden, het oude karakter van het wild-schoone landschap zal voor altijd verdwenen zijn en daarmede een levend stuk historie van de wording van den vaderlandschen bodem. Nuchtere, gemaakte, niet geworden, dorpen van grootendeels eenvormige en nietszeggende huisjes, omringd door schamele aardappelveldjes en schrale weiden, zullen komen in de plaats der vochtige heiden met hun schat van wilde planten en klein gedierte, aan welke opnieuw een der hoe langer hoe schaarser wordende gelegenheden tot leven en tieren zal ontnomen zijn. In economisch opzicht zal er — wellicht, wie weet? — vooruitgang zijn in Drenthe; doch in alle andere opzichten niets dan achteruitgang en onherstelbaar verlies.
De heide — bij velen is het begrip van hare waarde en schoonheid gering en dezulken kennen haar slechts beteekenis toe als terrein, dat zoo spoedig mogelijk aan practische en winstgevende doeleinden dienstbaar moet gemaakt worden. Reeds lang geleden waren er welmeenende menschen, die leefden in
72