met haar zinneloos geworstel om ijdele dingen en ellendige begeerte naar armzalige vermaken, geen wezenlijk bestaan heeft. Haar wrang misbaar dringt hier niet door. Hier is de mensch alleen met zich zelf en met de verheven heerlijkheid der natuur.
Een enkele maal verschijnt in deze plechtige eenzaamheid de traag zich bewegende, donkere figuur van een strandjutter, die in gebogen houding her en der schouwt en speurt naar hetgeen de zee op de kust geworpen heeft van hetgeen zij in uren van vernietigende woede heeft vernield en dat hem helpt aan een schamel bestaan. Of er nadert een schelpenvisscher met zijn lompe kar op breede wielen en een oud, stram paard er vóór, en verzamelt vlijtig de schelpen, die de zee onafgebroken in millioenen van haar rijkdom afstaat, en die aanstonds op de nuffige paadjes van ordelijke tuintjes gestrooid, of in den kalkoven gestort zullen worden. Zij passen wonderlijk goed in de grootsche ruimte, vloeien ineen met het van warmte vervulde beeld van zeldzame eenheid, dat zee en strand en duin tezamen vormen.
66