De kern van het kwaad is hierin gelegen, dat de rechten van den particulier, van het individu, te veel werden en nog steeds worden ontzien. Neen, zij werden en worden niet slechts ontzien, doch op buitensporige wijze beschermd en bevorderd, met nagenoeg volslagen verwaarloozing van de rechten der gemeenschap. Noodgedwongen en schoorvoetend heeft men op zulke werkelijke of vermeende rechten van het individu eenige bescheiden inbreuken gemaakt. Men heeft door middel van het bouwverbod en daaruit voortvloeiende voorwaarden tot het verkrijgen van bouwvergunning, den bouwer althans eenigermate aan banden gelegd en hem aldus o. a. kunnen dwingen zijne bouwplannen aan de goedkeuring van schoonheids- of advies-commissies te onderwerpen. Men kan verder door middel van de zoogenaamde Belemmeringswet beletten, dat een particulier het uitvoeren van bepaalde werken van openbaar nut in den weg staat of verhindert. Er is nog wel een en ander van dezen aard. Maar het is geheel onvoldoende, het gaat lang niet ver genoeg en het laat de hoofdzaak onaangetast.
Wat het land in de tegenwoordige omstandigheden behoeft, is: eene monumentenwet, eene natuurbeschermingswet, eene algemeene schoonheidswet, eene deugdelijke boschwet — en dan een centraal college, met de uitvoering van deze wetten en het toezicht op hare naleving belast, een college, bekleed met zeer uitgebreide bevoegdheden, met verordenende macht en met beschikking over den sterken arm. Aan de beslissingen en uitspraken van dit college zullen niet alleen alle levende en rechtspersonen, doch ook de departementen van algemeen bestuur, gewestelijke en plaatselijke, en de waterschapsbesturen onderworpen moeten zijn. Van deze uitspraken en beslissingen zal geen hooger beroep mogelijk zijn (want de ervaring heeft geleerd, dat beroep van uitspraken van schoonheidscommissies op burgemeester en wethouders of op den gemeenteraad dikwijls leidt tot vernietiging dezer uitspraken en dientengevolge tot ongewenschten bouw of herbouw, of het toelaten van leelijke reclame). Dit college zal het recht moeten bezitten tot het delegeeren van een deel zijner bevoegdheid aan gewestelijke en plaatselijke commissies, van welker uitspraken beroep op het college zelf mogelijk zal moeten wezen. Het zal moeten bestaan uit ingenieurs, bouwmeesters, tuinarchitecten, biologen, bosch- en landbouwkundigen, beeldende kunstenaars en leeken, die getoond hebben voor het behoud van natuur en schoonheid actieve belangstelling te bezitten.
204