heid des lands is geen onbeteekenende kleinigheid. De strijd voor haar behoud is geen ernstigen menschen onwaardig spel. Indien ons land zijn schoonheid geheel zou verliezen — en niets minder dan dit valt te duchten — dan zou het leven zelf van de bewoners des lands de helft van zijn waarde verloren hebben.
Monsterachtig uitgegroeide steden, beroofd van haar tooi en luister; een land vol grove dorpen, geheel overgeleverd aan den landbouw, zonder heiden en bosschen, zonder wateren en duinen, zonder rustige plekken waar de natuur meesteresse is, zonder wilde flora en fauna — als Nederland zóó zou worden, dan zou het een abominatie wezen, óók indien alle inwoners in stoffelijk opzicht welvarend zouden zijn, óók als literatuur, muziek en beeldende kunsten tot bloei gekomen en aller deel zouden wezen. Want de mensch kan niet de schoonheid ontberen, die alom is, die hem omringt, die de achtergrond is van zijn leven — de schoonheid van de natuur, van het harmonische stads-, dorps- en landschapsbeeld, die voor ’s menschen bestaan grootere waarde heeft dan de schoonheid, die hangt aan den wand, die besloten is in boeken, of opgehoopt in verzamelingen en musea.
Het is niet noodig theoretische argumenten tot staving van dit betoog aan te voeren, of het met abstracte beschouwingen te steunen. Het voor ieder zichtbare feit, dat vacantiegangers van allerlei rang en stand hun verpoozingstijd door brengen in schoone streken van het eigen land of van vreemde landen; dat de reisvereenigingen jaarlijks duizendtallen minder bemiddelden voeren naar de bergen of andere bekoorlijke oorden; dat tallooze stadsbewoners van eiken mooien dag gebruik maken, om met openbare vervoermiddelen, per auto, per rijwiel, per roei- of zeilboot, of op welke andere wijze ook, de zee, de heide, het bosch, den plas op te zoeken en daar eenige uren te vertoeven; dat stadsbewoners in immer groeiende aantallen zich vestigen in op niet te grooten afstand van de plaats huns arbeids gelegen dorpen — het wijst er alles op, dat de mensch aan natuur en schoonheid behoefte heeft, dat hij haar zoekt, er naar verlangt en er slechts noodgedwongen van gescheiden blijft.
De strijd, gevoerd ter bescherming van de natuur en van hetgeen de mensch aan schoonheid geschapen heeft in landschap, dorp en stad, is dus een edele, een heilige strijd, voor een verheven doel.
Dat hij noodig is, dat hij onverflauwd en krachtdadig moet
197