worden gevoerd, het blijkt onweerlegbaar uit de voorafgaande bladzijden en ieder, die aan deze dingen eenige aandacht wijdt, weet het — en hij weet óók, dat zich daarbij dit merkwaardige feit voordoet: het verlangen der menschen naar natuur en schoonheid is een der voornaamste oorzaken, zoo niet de voornaamste, van den ondergang, waarmede beide worden bedreigd, neen, die zich reeds voor een aanzienlijk deel heeft voltrokken.
In het niet zeer verre verleden was het dengene, die in de stad ambacht, bedrijf of nering uitoefende, vrijwel onmogelijk buiten haar of hare onmiddellijke omgeving zijn woonplaats te hebben. Aldus bleef het land ongerept. In de dorpen woonden slechts zij, die daar ook werkten; bosschen, heiden en duinen kenden slechts weinige bezoekers; slechts eenige honderdtallen rijke kooplieden en industrieelen brachten den zomer door op hunne buitenplaatsen; het forensendom was onbekend; zelfs het woord forens bestond niet, althans niet in dezen zin.
Maar er kwam verandering. De trekschuit en de diligence verdwenen. In hunne plaats kwam de spoorweg. Aanvankelijk bracht dit weinig of geen wijziging in de betrekkingen tus-schen stad en land, want het net was niet zeer uitgebreid, het aantal treinen was gering en de snelheid was beperkt. Dit werd op den duur anders; grootere aantallen treinen, vooral in den vroegen morgen en in den namiddag, die zich met voldoende snelheid bewogen, maakten het mogelijk op eenigen afstand van de „werkstad” te wonen. De stijging der belastingen in de steden dreef velen naar in hare nabijheid gelegen dorpen, waar lage belastingen heerschten. Het rijwiel maakte het mogelijk zelfs op vrij grooten afstand van de dorpsstations, dus buiten de dorpskommen en „echt buiten” te wonen. Daarna kwam de automobiel, die het velen veroorloofde ver van de stations, diep in het land, verblijf te kiezen. Toen de trek naar buiten er eenmaal was, bleek er geen houden meer aan te zijn. Dat het verschil in belasting tusschen stad en dorp geleidelijk kleiner werd en ten slotte in vele gevallen nog nauwelijk merkbaar bleef, kon den stroom niet stuiten. Het verlangen naar de rust en de heerlijkheid der natuur was onweerstaanbaar.
Maar de verwezenlijking van dit verlangen beteekent, dat de natuur verdwijnt en met haar alles, dat zij den mensch kan schenken. De menschen ontvluchten de steden; zij zoeken de natuur, die zij, door haar te vinden, verjagen. In de plaats van
198