NABETRACHTING
Het doel, dat met het schrijven van dit boek werd beoogd, is tweeledig. In de eerste plaats was het oogmerk, liefde tot de schoonheid van het eigen land op te wekken bij hen, die haar niet bezaten, haar te versterken bij degenen, in wier harten zij leeft. In de tweede plaats was het de bedoeling, de oogen van alle landgenooten te openen voor de gevaren, die deze schoonheid bedreigen en hen tot medestanders te maken in den strijd, die gevoerd wordt voor haar behoud.
Velen zijn er in den lande, die deze worsteling met een medelijdend glimlachje gadeslaan, haar beschouwen als een liefhebberij van onnoozele menschen, die de ernstige dingen des levens niet kennen, van niet onbeminnelijke dwazen, die schreien als een boom geveld, een oud huisje afgebroken, of een grachtje gedempt wordt. Want volgens hen komt het er niet op aan, of natuur en schoonheid om ons zijn; voor hen hebben slechts stoffelijke en „reëele” dingen waarde. Als er geld verdiend wordt, als de menschen wonen, eten en zich kleeden, is voor dezulken alles in orde. Lieden van dezen aard treft men in alle lagen en klassen der bevolking aan — en zij zijn niet weinig talrijk. Nu ja, men kan zich nog bezighouden met de politiek, met het onderwijs, met professioneele organisatie, desnoods ook met tooneel, muziek en literatuur — maar hoe de stad er uit ziet, of het dorp, of een oud kavalje blijft staan of niet, of een plas droog gemaakt, een duin af gegraven, een landgoed verkaveld wordt, wat komt dat er op aan?
Menschen van dezen aard vergissen zich. De lieden, die ijveren voor het behoud der schoonheid van stad en land, kennen het leven, den strijd om het bestaan, het conflict der maatschappelijke stroomingen en der levens- en wereldbeschouwingen. Sommigen hunner staan midden in het bedrijfs- en in het politieke leven, vervullen daar zelfs wel belangrijke plaatsen, nemen actief deel aan het openbare leven; geen hunner leeft in een gelukzalige schijn-wereld van eigen droo-men; allen weten zij wat materieele zorgen beteekenen; de starre dingen van eiken dag gaan hun niet onopgemerkt voorbij; water-en-melk-idealisten zijn zij geenszins.
Grooter echter dan die ten opzichte van den aard dezer menschen, is de vergissing ten aanzien van de zaak, die zij aanhangen, en aan welke zij een zoo groot mogelijk gedeelte van hun tijd en krachten wijden. Het verdwijnen van de schoon
196