Anjeliersgracht (thans Westerstraat), de Rozengracht, de Elandsgracht, eenige stukken van de Lijnbaansgracht (thans Valckenierstraat en Kleine-Gartmanplantsoen), de helft van het Damrak, de Vijzelgracht, de helft van het Rokin, benevens verschillende brokstukken van andere grachten.
„Nu ja, één grachtje!”
Te ’s Gravenhage, te Rotterdam, te Arnhem, te Haarlem, te Leeuwarden, om het even, waar niet in het land, in groote steden en in kleine, heeft men tientallen grachten gedempt. Alom treft men de doodsche, leege, verhoudingslooze straten aan, die eenmaal schilderachtige grachten waren.
„Nu ja, één grachtje!”
Gaat door de oude wijken onzer steden en aanschouwt hoe vele, gewoonlijk leelijke, moderne huizen de plaats van fraaie oude hebben ingenomen, of hoe vele van deze laatste werden geschonden en misvormd, dank zij vooral de zoogenaamde city-vorming. En het begon natuurlijk met één huis — „nu ja, één huis!” Het zijn tallooze huizen geworden; en al zijn er ook onder onze handelslieden, die hunne kantoren op de oude grachten vestigden, doch de oude huizen onaangetast lieten, neen, ze zelfs wel lieten restaureeren, ontdoen van leelijke verflagen, herstellen in hun oude glorie — eere dengenen, die aldus deden! — in verreweg de meeste gevallen werd en wordt niet aldus gehandeld, doch worden de fraaie, deftige, stemmige huizen behangen met leelijke borden en reclamedingen, of verbouwd en verknoeid tot caricaturen van hetgeen zij waren, of gesloopt en vervangen door gebouwen, die, dank zij hunne afmetingen, architectuur en kleur, het stadsbeeld ernstig schaden.
Doorkruist het land en aanschouwt hoe tal van steden en dorpen tot voorheen ongedachte afmetingen zijn uitgegroeid, ten koste van groote en kleine landgoederen, buitenplaatsen en bosschen, die geslecht, gerooid en verkaveld werden — hoe snel de ontginning van zoogenaamde woeste gronden vorderingen maakt, hoe plassen en waterlanden, ook dank zij de hoogelijk geprezen ruilverkaveling, droog gemaakt worden, hoe heuvels worden afgegraven, hoe het duin wordt aangetast — en denkt dan aan het zoo vaak gehoorde, als dooddoener tegen de geringschatte „heemschutterij” gebezigde: „Nu ja, allemaal overdrijving, één ....”.
Ach, die eerste regels van Keats’ „Endymion”, van welke de allereerste zoo vaak wordt aangehaald, vooral door lieden, die den tweeden niet kennen en zeker de verdere niet:
194