moeten hopen en werken. Voor dat geslacht moeten wij van onze oude erfenis beveiligen wat wij kunnen, moeten wij het evangelie van schoonheid in de dingen van ons dagelijksch leven prediken, opdat verwoesting worde gestuit en hier en daar normen van bekoorlijkheid worden behouden of geschapen, die zullen dienen tot uitgangspunten, van welke orde en schoonheid eenmaal zullen optrekken, om de wildernis te heroveren en te herscheppen.
De wijsgeerigen zullen wellicht tegenwerpen, dat de gruwelen van dezen tijd slechts één der vele symptomen vormen van Ben algemeene malaise, die geenszins beperkt is tot de zichtbare dingen, tegen welke ik te velde trek. De zelfde critici zullen er eveneens op wijzen, dat de aangewezen middelen ter verbetering slechts palliatieven zijn, die den wortel van het kwaad niet aantasten, ten hoogste kunnen dienen om bepaalde, bijzonder boosaardige verschijnselen te verzachten. Beide bezwaren zijn ongetwijfeld juist.
Zoo lang er echter geen onmiddellijk vooruitzicht schijnt te zijn op fundamenteele veranderingen, die den oorsprong zelf van de maatschappelijke wanorde zouden aantasten, schijnt het nemen van maatregelen tot gedeeltelijke verbetering het eenig mogelijke te wezen, zoowel in dit, als in andere geledingen van ons nationale leven. Deze maatregelen geven geen aanzienlijke hoop, dat zij zelfs geleidelijke en langzame genezing zullen bewerkstelligen, doch als de groote operatie, die eigenlijk noodig is, niet kan verricht worden, dan is het toch beter het met zalven en pappen te probeeren, dan in het geheel niets te doen, want zij kunnen plaatselijke en tijdelijke verlichting brengen en beletten in elk geval, dat wij tot wanhoop vervallen.
Sommige der zelf-toegebrachte en -verwekte wonden en zweren zijn van zulken aard, dat zij geacht moeten worden onherstelbaar te zijn; zij zullen onuitwischbare litteekens achterlaten op onze physieke wereld, die de menschheid zelve zullen overleven. Andere zullen geslachten, wellicht eeuwen lang aangevreten plekken blijven. Indien wij nu ook maar het geringste kunnen doen ter voorkoming van hetgeen zoo langdurig misvormend zal zijn en waarvan de genezing twijfelachtig is, dan moet dit geacht worden de moeite waard te wezen, evenals het volgehouden verzet eener belegerde stad, in de hoop dat er nog wel iets bewaard zal blijven om het ont-zettingsleger te beloonen.
Alleen een onschokbaar, wellicht eenigszins misplaatst ver-
191