trouwen, dat het Engelsche volk toch eenmaal tot bezinning zal komen, kan ons den moed geven te blijven optreden voor een schijnbaar verloren zaak. Het ontzettingsleger is zelfs nog niet gerecruteerd, laat staan geoefend, en wij hebben geen zekerheid, dat zijn dapperheid en moreel opgewassen zullen zijn tegen de geweldige taak, die het wacht en die elk jaar, eiken dag, grooter wordt.
Iedereen weet, dat Engeland gedurende de laatste tientallen jaren ontzaglijk en ontzettend is veranderd. Sedert het einde van den oorlog heeft de verandering het karakter aangenomen van een ramp, die de nadenkenden onder ons uitermate beangstigt en hen in droefenis doet vragen, of er van ons schoone Engeland nog wel iets herkenbaars zal o ver blij ven voor onze kindskinderen.
Weinig genoeg zal er zelfs overblijven voor onzen eigen ouden dag. Reeds beginnen wij elkander vertrouwelijk, in het geheim, te vertellen van afgelegen plekken, waar het nog is zooals het eenmaal overal was, waar grove exploitatie onbekend is en waar niet gebouwd wordt, of zoo al, dan op bescheiden schaal en niet buiten harmonie met de omgeving. Hoe zal het worden als onze oogen zich voor eeuwig gesloten zullen hebben voor hetgeen schoon en leelijk is gelijkelijk?” Williams-Ellis vertolkt in deze aangrijpende regels op treffende wijze, wat allen, die natuur en schoonheid liefhebben, in alle landen, gevoelen en vreezen, evenals hetgeen hen tot optreden drijft.
Snel grijpt het verderf om zich heen en ook in ons land, als in Engeland, rijst de pijnlijke vraag: wat zal er overgebleven zijn van de schoonheid des lands, als het geslacht, dat nu nog niet leeft, de aarde zal bewonen, van de schoonheid, die er thans nog is, doch snel vermindert? Hoe zal dan de aanblik onzer steden, dorpen en landschappen wezen?
De titelplaat van dit boek vertoont een kleine groep van de windmolens van den Schermerpolder. Zooals de afbeelding hen laat zien, zoo staan zij er nog. Maar binnen korten tijd zullen zij verdwenen, of in doode rompen veranderd zijn. Een andere fotografie in dit boek vertoont een gedeelte van de Amsterdamsche Vijzelgracht, een buitengewoon fraai en karakteristiek stadsbeeld, dat zelfs den voor zulke dingen niet zeer gevoelige niet onaangedaan zal laten. Hoe lang zal het ons blijven? De vraag is gerechtvaardigd. Want in het Amster-damsch stadhuis spookt nog altijd het plan, om de Vijzelgracht, natuurlijk ter wille van „het verkeer”, te dempen.
192