en als elders. Want de kwaal der aantasting en vernietiging van schoonheid en natuur is internationaal en overal wijzen degenen, die haar bestrijden, er vooral op, dat wij onzen plicht jegens den menschengeslachten, die na ons zullen komen, tot aan het misdadige toe verwaarloozen, indien wij het kwaad niet uitroeien, althans zoo veel mogelijk beperken. Bölsche legt daarop nadruk en dat er aldus in Engeland, waar het vandalisme wellicht erger dan elders is, op grootere schaal en in ellendiger vorm geschiedt dan in eenig ander land, niet anders over wordt gedacht, moge uit de volgende aanhaling uit een geschrift van den reeds genoemden Engelschen „heemschutter” C. Williams-Ellis blijken:
„Als menschelijke wezens hebben wij toch het recht te eischen dat wij ons leven slijten in een geordende, redelijke en humanistische omgeving en dat er een einde kome aan de zinne-looze ontreddering, voor welke de laagste dieren zich zouden schamen.
Ten opzichte van deze dingen is het, alsof wij plotseling en snel achteruit zijn gegaan, of althans gevaarlijk geslipt zijn van de keurige en welgebaande paden onzer groot- en overgrootvaders. Zij hadden een algemeene notie van orde en schoonheid en zij begrepen, dat uiterlijkheden geen bagatellen zijn, doch een aanzienlijken, zij het wellicht „onder-bewusten” invloed hebben op de levens, van welke zij den achtergrond vormen. Of als zij dit niet begrepen, dan handelden zij toch alsof zij het deden; en zij lieten ons steden en dorpen en een Engelsch landschap achter, die, helaas, reeds zoo legendarisch zijn geworden als een schoon sprookje.
In vele opzichten, misschien zelfs in de meeste, is de bekoring van het verleden grootendeels denkbeeldig; doch op het stuk van architectuur en natuurschoon zijn er bewijzen te over, waaruit blijkt hoe rampzalig wij gevallen zijn beneden het peil van alle vroegere tijdperken, waar het de dingen geldt, die het beschaafde onderscheiden van het barbaarsche. Kunnen wij de gedachte verdragen, dat wij, het Engelsche volk, voor altijd zoo diep gevallen zijn, dat Engeland nooit weer zal zijn een eiland met onbesmeurde landschappen en wel-geordende steden? Laat ons liever trachten te gelooven, dat eenmaal, ondanks alles, onze nakomelingen schoonheid en natuur om zich zullen ontwaren en dat zij zóó zullen leven, dat dientengevolge de schoonheid zal toenemen in het land en niet langer veracht en met voeten zal getreden worden.
Het is voor dat, wellicht zeer verwijderde geslacht, dat wij
190