een of twee rijen boomen worden er langs geplant en daarmede is de overheids-bemoeiing geëindigd. Niemand bekommert zich om hetgeen er vlak aan of langs den weg gebeurt en aldus is het, dat ons land geleidelijk dichtgetimmerd wordt. De oude Hollanders gewaagden wel eens van plekken, waar de wereld met oude kranten was dicht geplakt. Het gezegde begint bewaardheid te worden en in verontrustende mate. Want niet slechts eenige plekken, doch het geheele land wordt afgesloten en niet met oude kranten, die men gemakkelijk zou kunnen verwijderen, doch met stevige, onwrikbare bouwsels, een ergernis voor altijd.
Parkwegen — ons Departement van Waterstaat schijnt er nooit van te hebben gehoord en ook den provincialen besturen zijn zij blijkbaar onbekend. Er is althans in het geheele land geen weg van dezen aard aan te wijzen. Men zou er toe komen te wenschen, dat alle wegen in ons land mochten zijn als die van Kortenhoef naar Vreeland: zeer smal, aan weerskanten breede en diepe slooten, waar achter zeer drassig weiland, bijna moeras. Maar zelfs dit zou niet baten. Want in de buurt van Kortenhoef staan reeds eenige huizen, gebouwd op in den waterigen bodem geslagen palen, zoodat de onderkant van het huis vrij van het land en een meter of zoo daar boven ligt. Heel Nederland één villapark, één tuindorp — dat schijnt het ideaal te wezen; en het moet erkend worden: zelden werd een ideaal zoo hartstochtelijk nagestreefd en zoo degelijk verwerkelijkt.
„De meeste vragen en eischen van onze cultuur zijn eigenlijk problemen van de toekomst. Wij doen ons deel; onze nakomelingen moeten het overige doen. Doch de bescherming der natuur maakt op dezen regel een geweldige uitzondering. Indien wij hier niet onverwijld, zonder dralen en met vaste hand ingrijpen, dan zal ons nageslacht niets anders overblijven dan te klagen over hetgeen onherroepelijk is verloren gegaan”. Aldus liet Wilhelm Bölsche, de zeer bekende Duitsche dichterlijke bioloog en politicus, zijn waarschuwende stem in een zijner laatste geschriften hooren. Hetgeen hij zegt, geldt Duitschland, het land, waar het met de natuurbescherming van overheidswege beter was gesteld dan in het onze en de liefde tot de natuur, in het algemeen gesproken, grooter is en meer verbreid onder alle lagen der bevolking dan ten onzent. Doch ook daar verneemt men uit den mond van een zoo bij uitstek bevoegden man als Bölsche, de zelfde klacht als hier —
189