hen aangetrokken hebben; wij geven hun deze ten geschenke, alsmede het fraaie landschap, dat zij doorsnijden en de vermeerdering der waarde van den grond, die zij scheppen, terwijl zij toch eigenlijk zwaar beboet behoorden te worden wegens de grove onbeschaamdheid om hunne afschuwelijkheid in het openbaar te vertoonen. Zijn wij niet een weinigje mal? In sommige gedeelten van Amerika wordt de zaak geheel anders aangevat. Daar vindt men langs de wegen niet een paar eenvormige bermen ter breedte van eenige meters, doch onregelmatige stukken van de oorspronkelijke streek, met hunne oude hagen en boomen, gras, boomgaarden, beekjes en wat niet al — alles behoorende bij het terrein van den weg en met elkander vormende den „parkweg”.
Deze pleizierige naam is geenszins een leeg woord, want op zulke wegen heeft men inderdaad het gevoel, dat men door een uitgestrekt natuurpark rijdt of wandelt — hetgeen dan ook inderdaad het geval is. De omstandigheid, dat zulk een park dertig of veertig kilometer lang, doch nergens meer dan een paar honderd meter breed is, doet niets ter zake en pleit slechts ten gunste van het vernuft en de zorgvuldigheid van den ontwerper.
Voor den aanleg van een parkweg worden niet de juist voor den weg en bermen noodige strooken land, bosch en wat dies meer zij gekocht en onteigend, doch de geheele perceelen, althans zeer groote stukken daarvan. Niet meer dan voor de wegbaan noodig is wordt vrijgemaakt; het overige blijft in den toestand, waarin het zich bevond, wordt met nieuw plantsoen e. d. verbeterd. Loopt de weg beneden langs een heuvelrand, dan wordt hij, waar noodig, beplant, ten einde het effect te verhoogen. Door de terreinen langs den weg, die dus tot het weggebied behooren, worden min of meer parallel met den weg loopende, de gesteldheid van het terrein volgende voetpaden gemaakt, zoodat de voetganger niet van den rijweg behoeft gebruik te maken. Bereikt het pad een beek of riviertje, dan krijgt het zijn eigenaardig bruggetje, ver van de drukke, rumoerige brug in den hoofdweg.
Waar de weg een bosch doorkruist, is er gelegenheid tot het „parkeeren” van voertuigen buiten den weg en kunnen zij, die zulks wenschen, rustig wandelen, of onder het geboomte rusten. Waar de aanleg van den weg het rooien van mooie boomen zou noodig maken, wordt de baan gesplitst in twee armen, elk voor verkeer in ééne richting, zoodat een eiland ontstaat, gesierd door het gespaarde geboomte.
187