de eischen, dien de geesel van onzen tijd, het zoogenaamde „Snelverkeer”, stelt, of geacht wordt te stellen.
Er zou op zich zelf geen bezwaar tegen zijn, indien de aanleg van nieuwe, of de verbetering van bestaande verkeerswegen niet bijna immer de noodlottige „lintbebouwing” tot gevolg zou hebben. Hoe haar te voorkomen, is een der groote vragen, met welke zij, die de schoonheid des lands tegen schennis beschermd willen zien, zich bezighouden. Dat de Overheid hier ten goede zal medewerken, door per wet of verordening een bouwverbod te leggen op vrij breede strooken gronds langs de wegen, is, behalve misschien in zeer enkele gevallen, niet te verwachten. De eerbied voor de, werkelijke of vermeende, rechten van de eigenaars van zulke terreinen, is te groot. Er zou echter wellicht eene oplossing te vinden zijn, die de lintbebouwing beteugelt en de grondbezitters ongemoeid laat. Zij bestaat hierin, dat onze nieuwe of verbreede wegen worden aangelegd als hetgeen de Amerikanen parkways, parkwegen, noemen. Wat daaronder wordt verstaan, moge blijken uit hetgeen de heer C. Williams-Ellis, een bekende Engelsche archi-tect-heemschutter, in een onlangs verschenen opstel dienaangaande heeft gezegd:
„Er zijn menschen, die voorgeven de leelijkheid van onze nieuwe groote verkeers- en verbindingswegen te betreuren; doch indien men hun ongenoegen ontleedt, dan blijkt, dat het voortvloeit, niet zoo zeer uit de wegen zelf, als uit hetgeen hen begrenst.
Er is ongetwijfeld iets dat grootsch is aan de breede, witte betonlinten, die in sierlijke slingeringen en gemakkelijke golvingen over het land zijn gelegd; er is zelfs iets bekoorlijks in hunne zuiver afgewerkte insnijdingen en taluds.
Doch aan de gebouwen, die spoedig aan weerskanten verrijzen, is niets dat nobel of bekoorlijk kan worden genoemd. Of het landhuizen of garages zijn, theehuizen of villa’s, hunne akeligheid staat vast. Het is deze oneconomische „lint-ont-wikkeling” langs de hoofdwegen, die zoo snel doet verdwijnen wat er nog aan landschapsschoon te vinden is in de buurt onzer groeiende steden; en er geschiedt weinig of niets ter bestrijding van het euvel.
De schendende gebouwtjes groeien op en vermenigvuldigen zich als netels langs een sloot, als luizen op een lintworm. Doch hoe grof wij er ook op mogen schelden — wij doen niets om hun groei te beteugelen. Wij laten hen zelfs niet bijdragen in de ontzaglijke kosten van de prachtige nieuwe wegen, die
186