daar rijzen aan den gezichtseinder de schoorsteenen van verscheidene fabrieken, benevens de hooge torens van het radio-zendstation en een paar gashouders op — en alles is bedorven; de ruimte-werking is vernietigd, de hooge onfraaie uitsteeksels beheerschen het landschap en de rookstaarten besmeuren het uitspansel.
Tusschen ’s Graveland en Hilversum ligt het oude landgoed „Gooilust”. De lange statige oprijlaan, het 18de eeuwsche huis, de tuinen, bosschen en vijvers, het is alles met elkander zeer mooi, doch zou geen aanleiding geven om er gewag van te maken, want men vindt in Nederland nog vele buitenplaatsen van gelijken aard, onder welke die grooter en schooner zijn. Maar „Gooilust” is om een andere reden iets zeer bijzonders. De eigenaar had er namelijk van gemaakt een botanisch en zoölogisch museum — niet een, gevuld met gedroogde en opgezette exemplaren, doch met levende planten, boomen, dieren en vogels. Hij heeft ze uit alle deelen van de wereld bijeengebracht en hier prachtig gegroepeerd zeldzame boomen en planten, die het in ons klimaat kunnen uithouden en tusschen deze en de inheemsche lanen en bosschages, leven, in groote ruimten, als in den natuurstaat, dieren, in kleine groepen en in geheele kudden, die in de natuur niet, of nagenoeg niet meer te vinden zijn, omdat de mensch de soort vrijwel heeft uitgemoord. Daar bevinden zich Europeesche en Ameri-kaansche bisons, wilde paarden, Zuid-Afrikaansche gnoes of wildebeesten, kangaroes, lama’s, groote hoeveelheden zeldzame water- en andere vogels en wat niet al.
„Gooilust” is wereldberoemd, een heilig oord voor alle natuurvrienden ter wereld. Het lag daar vreedzaam, in een volkomen rustige omgeving, door zijn eigen bosschen gescheiden van de dorpen en ten Zuiden begrensd door ongerepte weiden. Daar verschijnt op eenmaal een industrieel, die het in zijn hoofd haalt een fabriek tot bewerking van boomschors te bouwen op dat weiland, tegen „Gooilust” aan. Bijzondere geschiktheid voor industrieele doeleinden bezit deze plek hoegenaamd niet; er is geen spoor- en geen tramweg, niets dan een smalle landweg en een smal vaarwater. Toch moest juist daar de fabriek gezet worden. Pogingen, in het werk gesteld om den man van zijn voornemen te doen af zien, faalden. Het gemeentebestuur van ’s Graveland, dat het wijd vermaarde „Gooilust” had behooren te beschermen, steunde den industrieel — want wat is er nu beter voor een rustig dorp, dan een rommelige, het landschap bedervende fabriek? Deze zegen
184