Het vestigen van fabrieken in of bij min of meer afgelegen dorpen, is niet geheel nieuw- Tientallen jaren geleden vestigden fabrikanten van katoenen goederen hunne bedrijven te Borne, Friezenveen, Rijssen en andere Twentsche dorpen; en er zijn vele gevallen van dezen aard. Het verschijnsel wordt echter gestadig meer in het oog vallend. Zoo zal er weldra zoo goed als geen Brabantsch dorp zijn zonder een of meer fabrieken. Doch niet alleen in de genoemde gewesten verrijzen de fabrieken op de heide of te midden van de weilanden. Vlak bij Ede, in een van de fraaiste streken van de Veluwe, staat sinds eenige jaren een reusachtig complex van fabrieksgebouwen, dat niet strekt, noch strekken kan, tot verfraaiing van het landschap. Het is één voorbeeld uit de vele, die genoemd zouden kunnen worden, en het is, zooals reeds werd gezegd, een zorgwekkend verschijnsel.
Ten eerste, omdat dikwijls, doch niet altijd, de zelden fraaie, maar vaak zeer leelijke, zuiver utilitaire gebouwen, het landschap, althans het dorp, of zijn naaste omgeving, ernstig ontsieren.
Ten tweede, omdat een eenigszins belangrijke fabriek veel menschen naar het begenadigde dorp trekt, hetgeen snellen bouw van vele, gewoonlijk alles behalve mooie en in haastig uitgezette wijken gerangschikte woonhuizen noodig maakt. Een mooi, afgerond dorp krijgt dientengevolge gewoonlijk een onordelijk, zoo niet rommelig en wanstaltig uiterlijk.
Ten derde, omdat de fabrieksgebouwen en vooral de schoorsteenen zeer storend kunnen werken in het landschap — om niet te gewagen van de zwarte rookmassa’s, die uit gezegde schoorsteenen bijna onafgebroken te voorschijn komen en de luchten, die met het landschap een zoo heerlijke eenheid vormen, verdoezelen en bezwadderen.
Wie te Laren zich stelt op het hooge punt achter het St. Jans-kerkhof, aanschouwt een prachtig panorama. Vóór hem ligt een uitgestrekte, in zware golvingen en plooien in Zuid-Ooste-lijke en Zuidelijke richting afloopende heide. Daar wordt het weidsche gezicht afgesloten, eerst door de lage bosschages van den Gooirand en verderop door de zware bosschen van Baarn en langs den Soestdijker Straatweg; boven het geboomte steken de torens van Eemnes en Baarn hunne spitsen in de lucht en accentueeren fijntjes den horizon. Waar de heide het bosch nadert, glinstert het water van een paar meertjes, de Waschmeren, waar in het verleden de herders hunne schapen wieschen. Nu dwaalt de blik naar rechts, naar het Westen
183