en stalen. Tienduizenden leerden aldus het land kennen. Zij bezochten streken, die voorheen voor hen ontoegankelijk waren geweest. De schoonheid des vaderlands werd hun geopenbaard en zij kregen haar lief.
De voertuigen, door motoren voortbewogen, riepen nieuwe mogelijkheden in het leven. Zij stelden in staat tot het afleggen van afstanden binnen één uur, voor welke men per rijwiel een geheelen dag behoeft. Aldus kon men binnen weinige uren groote gedeelten des lands doorkruisen, of zich naar een fraaie streek begeven, daar wandelen of vertoeven, en nog vóór het vallen van den avond naar zijn woonplaats terugkeeren. Aanvankelijk konden slechts vermogende lieden zich de weelde van een motor-rijtuig veroorloven, doch na den wereld-oorlog maakte de rationalisatie der nijverheids-processen het vervaardigen van kleine en middelmatige, zeer bruikbare automobielen mogelijk, die tegen betrekkelijk matige prijzen konden verkocht worden, zoodat duizendtallen, die te voren aan het bezit van zulk een vehikel zelfs niet hadden kunnen denken, in de gelegenheid werden gesteld zich een aan te schaffen en daarvan dan ook gebruik maakten.
Aldus ontstond en groeide een verkeer van ongekenden en ongedroomden omvang en intensiteit. De eertijds vrijwel ledige wegen werden bevolkt en moesten dra vermeerderd en verbeterd worden, weinig berekend als de meeste waren voor de hoeveelheid en de snelheid der voertuigen, die er zich nu op bewogen. De afgelegenste oorden waren gemakkelijk bereikbaar geworden. Aanvankelijk bestaande bezwaren verdwenen snel. De groote vereenigingen van toeristen zorgden voor de organisatie van het verkeer, verschaften kaarten en reisboeken, plaatsten wegwijzers, waarschuwingsborden en verkeers-aan wij zingen van allerlei aard. Tot zelfs in de kleinste dorpen verrezen garages en van kundige ambachtslieden voorziene werkplaatsen, zoodat technische hulp overal te verkrijgen was. Hotels van allerlei aard en rang ondergingen grondige verbeteringen en zelfs zeer goedkoope, doch voortreffelijke jeugdherbergen kwamen tot stand. De schoonste streken des lands werden voorzien van een netwerk van rijwielpaden over de heiden en door de bosschen, ver van de groote verkeers-arteriën met hunne bezwaren en gevaren, zoodat de nu vergelijkenderwijs langzaam geworden wielrijder zich rustig en gemakkelijk in de vrije natuur kon bewegen. Aldus werd het geheele land toegankelijk voor vrijwel alle zijne bewoners. Daar waren zeer velen onder hen, die te voren
172