trekschuit kostte veel tijd en wat de eerste betreft, was het reizen, wegens de geringe ruimte in de voertuigen en den toestand van hetgeen destijds wegen werden genoemd, alles behalve een aangename verpoozing. Bovendien waren slechts de steden en de tusschen haar gelegen dorpen op zulke wijze met elkander verbonden. Geheele gewesten waren van alle middelen van verkeer verstoken en voor den minder bemiddelde, die geen voertuig huren kon, slechts te voet te bereiken en te doorkruisen.
Toen kwam de spoorweg. Aanvankelijk, en gedurende ettelijke jaren, kende ons land slechts twee lijnen: Amsterdam-Rotterdam en Amsterdam-Arnhem. Daarna kwam de geleidelijke uitbreiding van het net der lijnen, over het geheele land uitgespreid. Terwijl deze uitbreiding voortgang had, begon de aanleg van stoomtramlijnen, die verbindingen tot stand brachten tusschen en met de niet aan spoorwegen gelegen plaatsen en ze verbonden met de slagaderen des verkeers.
Tegen ongeveer het jaar 1890 begon het rijwiel zijn triomftocht. Aanvankelijk slechts een middel tot vermaak van en sportbeoefening door jonge lieden, werd het, vooral na de uitvinding en toepassing van den luchtband, gaandeweg een van de voornaamste verkeersmiddelen, van hetwelk zekerlijk niet veel minder dan de helft van de bevolking des lands zich bedient. Slechts weinige jaren later kwamen het motorrijwiel en de automobiel zich voegen bij de reeds bestaande voertuigen en na den oorlog deed de automobiel-omnibus zijn intrede en werd alras een zeer verbreide verschijning op onze wegen, een populair en gaarne gebezigd middel van vervoer. Deze ontwikkeling van het verkeerswezen opende het land voor zijne bewoners. Niet langer was men genoodzaakt zich te bepalen tot wandelingen in de onmiddellijke nabijheid zijner woonplaats, of tot uitstapjes van één dag naar een niet te ver verwijderde zeebadplaats of boschrijke streek, om een korte wijle van natuur, van prikkelende of geurige lucht en van onbelemmerden zonneschijn te genieten, welke geneugten echter slechts vielen te bereiken door middel van soms urenlang verblijf in overvulde, stoffige en benauwende spoorweg-rij tuigen. Frank en vrij kon men, binnen een vrij aanzienlijken radius, zich op zijn rijwiel begeven waarheen men verkoos, doordringen in te voren vrijwel onbereikbare oorden, al trekkende genieten van hetgeen voorheen op vervelende wijze bereikt moest worden, van de zon en de lucht en de schoonheid van het landschap, en daarbij het lichaam tevens oefenen
171