begrijpend, kan slechts komen tot deze slotsom: geheel Nederland is één tuin.
Alle genoemde elementen van een tuin zijn hier aanwezig en vormen een harmonische eenheid. Ziet slechts:
Onze vlakke polders, heerlijk groene malsche weiden en maaivelden, met hunne bebloemde slooten, het zwart- en roodbonte vee, de schapen en de paarden, onder het blauw des firma-ments of de rustelooze luchten — zij zijn Nederlands gazons. Geen land is zoo rijk aan bloemen als het onze. Van Maart tot Mei het weergalooze kleurenfeest aan den voet der duinen, de glorieuze stoet van sneeuwklokje, ixia, sneeuwroem, crocus, narcis, hyacinth en tulp. En overal in het land groote en kleine groepen van deze kinderen der lente. Daarna, den geheelen zomer door, totdat de vorst er een einde aan maakt, gaat de kleurige, fleurige processie voort. Geen huisje, in de stad of op het land, zonder bloemen. Geen lapje grond, of het is vroolijk en geurig. Kleine en groote tuinen, parken en buitenplaatsen, stadsplantsoenen en rosaria, het is alom een weelde van bloemen, in eindelooze verscheidenheid en overstelpenden rijkdom. Vooral tegen het einde van den zomer is het land een lust der oogen, als de eenjarige planten op het toppunt van hun bloei zijn, als de dahlia’s een overdaad van vormen en kleuren ten toon spreiden en het geel in alle schakeeringen, van de zonnebloemen van allerlei grootte en hoogte, van de rud-beckia’s en van de gulden roede den boventoon voert. Men weet dan niet wat aantrekkelijker is, de grootsche, wel-verzorgde border in den ruimen landhuistuin, vol van de nieuwste hybriden en variëteiten, of de argelooze groepjes „ouder-wetsche” bloemplanten, een paar dahlia’s, een beetje flox, wat juffertje-in-’t-groen, violieren en stokrozen, achter het ligusterhaagje van het boeren-erfje of arbeiders-tuintje. Maar klein of groot, bescheiden of rijk, de tuin, die Nederland heet, is tot in alle uithoeken vervuld van heerlijke, wel-verzorgde, oog en hart verrukkende bloemen, in rijke afwisseling en overvloed, als het lente, herfst en zomer is. Maar zelfs in den winter is deze tuin slechts zeer korten tijd geheel zonder bloemen. Want wanneer alles verdwenen is, dan komen, als achterhoede van het vroolijke leger, de witte en paarse kerstrozen zich vertoonen en niet lang nadat ook zij verdwenen zijn, verschijnt de pionier van de straks aanstormende armee van Koningin Flora, de naakt-bloeiende jasmijn, om dra gevolgd te worden door den winter-aconiet, den toover-hazelaar, de kornoelje en het Chineesche klokje.
168