degenen, die het land goed kennen en bij voorbeeld Noord-Wales, Zuid-Devonshire of het Meren-district in Westmore-land hebben bezocht, gereedelijk zullen beamen. Men heeft in zulke gevallen gewoonlijk te doen met een gevleugeld woord van deze of gene bekende persoonlijkheid, in een oogenblik van geestdrift geuit, of met een reputatie, die op onnaspeurlijke wijze zich heeft gevormd en weten te handhaven, zooiets als de algemeen aanvaarde stellingen, dat alle Engelschen phlegmatiek, alle Franschen ridderlijk en edelmoedig, alle Friezen koppig, alle Hollanders stoer en alle Zeeuwen rond zijn.
Zoo is het ook met den roep van Walcheren gesteld. Het is mogelijk, dat eenmaal, in een verwijderd verleden, dit eiland in werkelijkheid zóó veel fraaier is geweest dan het overige Nederland, zoo veel rijker aan natuurschoon, dat het terecht werd beschouwd als de tuin van de lage landen aan de zee. Maar aangenomen, dat het eenmaal zoo is geweest, zoo kan het thans toch niet meer als juist worden aanvaard. Ongetwijfeld is Walcheren een bekoorlijk landje, met zijn prachtige hoofdstad, het antieke Veere, het bedrijvige Vlissingen, met zijn intieme dorpen, fraaie duinen, groote buitenplaatsen, beschaduwde slingerwegen en mooie vrouwen in kostelijk-typische kleederdrachten. Maar dat het, wat schoonheid betreft, zou staan boven vele andere gedeelten des lands, van even groote of grootere uitgestrektheid en dus met recht en reden aanspraak zou mogen maken op de onderscheiding, de tuin van Nederland te wezen, deze stelling is niet vol te houden.
Welk gewest zou dan wel daarvoor in aanmerking komen? De keuze — aangenomen, dat er gekozen zou moeten worden — zou moeilijk wezen. Neen, zij zou onmogelijk zijn. Niet alleen, omdat de aanspraken, die vele streken op dezen eere-titel zouden kunenn doen gelden, bezwaarlijk tegen elkander afgewogen zouden kunnen worden, doch vooral omdat, welbeschouwd, Nederland geen tuin kan hebben, daar immers het geheele land één tuin is, één uitgestrekt park, dat alle elementen bevat, die het als zoodanig volmaakt doen zijn. Een goed aangelegde tuin van behoorlijken omvang behoort te omvatten: 1. gazons; 2. bloemen; 3. waterpartijen; 4. lanen; 5. heesters; 6. opgaand geboomte; 7. een plek waar wilde bloemen tieren; 8. een heuvelachtigen rotstuin; 9. een boomgaard; 10. een moestuin; 11. koude en warme kassen.
Wie nu ons land kent, en het aanschouwt, aandachtig en
167