Waterpartijen — onze tuin heeft er overvloed van, in allerlei vorm en van allerlei aard: vlugge, heldere beken, weidsche rivieren, placiede wateren, meren en plassen, slooten, poldertochten, grachten, kanalen en ringvaarten. Het blinkende water is overal, in de polders en in de bosschen, bij de heuvelen en in het vlakke land. Nagenoeg nergens ontbreekt het levende element, dat zijn eigen flora heeft en zijn eigen dieren-, vogel- en insectenwereld. In en op en aan de oevers der plassen groeit en bloeit en tiert het, een plantenleven zonder weerga, met al hetgeen daar aan dieren en vogels en insecten bij behoort; aan slooten en vaarten is het weinig minder; de rivieren met hare welige uiterwaarden, of fraai begroeide oevers, de fonkelende beken van het heuvelland, en dan de zee — aan vijvers en waterpartijen ontbreekt het in den tuin Nederland allerminst.
Ook niet aan lanen. Vrijwel alle groote en tallooze kleinere wegen zijn hier alleeën en berceaux. Van het uiterste Zuiden, de lijn van Vaals tot Maastricht, tot in het verre Noorden, tot Den Helder en de Wadden, wijd vertakt naar Oost en West, strekken zich de lanen van den heerlijken tuin uit. Van Maastricht tot Nijmegen één onafgebroken laan, honderd dertig kilometer lang, met velerlei geboomte beplant — welk land kan daarvan een pendant vertoonen? Waar elders is een laan te vinden, als die zich uitstrekt van Arnhem tot Brummen, met de Middachter Allee als onvergelijkelijk centrum, of als den zeldzaam schoonen weg van Baambrugge naar Breuke-1 en? Waar vindt men hier niet de altijd mooie, doch somtijds zeer prachtige laanwegen? De Graafschap, de Geldersche, de Utrechtsche en de Brabantsche landen, zij zijn er van vervuld en in het rijk der polders omlijsten en doorkruisen zij het landschap en binden dorp aan dorp, stad aan stad, met de deinende rijen hunner boomen.
De heerlijkheid der statige, stemmige lanen is hier in overvloed aanwezig en aan heester- en boomgroepen is hier evenmin gebrek — de bosschen en de wouden zijn de rijke stoffage van de groote gaarde, die ook de in het wild groeiende planten herbergt, de duinen en plassen, de heiden en woeste gronden, waar alleen de natuur heerscht en er hare onbedorven kinderen, aan welke de cultuur niet heeft geraakt, laat groeien en bloeien.
Limburg is de rotspartij, waar zeldzame planten wassen op en tusschen het gesteente der heuvelen — de Betuwe vooral is de boomgaard — de moestuin is Holland, waar ook, bij Aals-
169