Het kleine land en zijn groote schoonheid

Titel
Het kleine land en zijn groote schoonheid

Jaar
1941

Druk
1941

Overig
1ed 1941

Pagina's
292



gebouwen af te breken en door het werk van een nieuw geslacht van architecten te vervangen. Maar zeker moest geen moeite gedaan worden, om oude gebouwen door reparatie en restauratie in stand te houden; het proces van verval en ineenstorting behoorde, volgens hem, niet kunstmatig gestuit te worden.

Zulke opinies zullen weinigen voor hunne rekening nemen. Men kan ontvankelijk zijn voor de schoonheid, die moderne kunstenaars ons schenken, zonder die, welke wij aan vroegere danken, te willen of te kunnen negeeren. De ware kunstenaar zal bovendien oorspronkelijk zijn en blijven, ook al is hij rechts en links, voor en achter, omgeven door uitingen van de kunst van vroegere geslachten. En de opmerking is misschien niet al te gewaagd, dat men niet zuinig genoeg kan zijn op de overgebleven architectonische monumenten, vooral omdat slechts weinige bouwmeesters van onze dagen in staat zijn de schoonheid, die ons uit vervlogen tijden gebleven is, door nieuwe, gelijkwaardige te vervangen.

Derhalve behoort elk oud gebouw, hetwelk door herstel voor verder verval behoed kan worden, ook hersteld te worden, en vooral moet door tijdig en behoorlijk repareeren voorkomen worden, dat verval intreedt.

Anders staat echter de zaak ten aanzien van oude gebouwen, die men zóó lang en zóó grondig verwaarloosd heeft, dat eenvoudig herstellen niet meer mogelijk is, zoodat zij alleen behouden kunnen blijven door het vernieuwen van groote gedeelten, zoo niet van nagenoeg den geheelen bouw.

Niet alleen William Morris betoogde en toornde tegen zulk restaureeren. Er zijn ook anderen, die er hunne stemmen tegen verheven hebben. Aardig is hetgeen de publicist F. M. Lurasco, een der beste journalisten van een vorige generatie in ons land, er eens over geschreven heeft:

„Wanneer een mensch oud wordt, gaat het aardsche, het tijdelijke van hem en komt over hem iets van het eeuwige. Hij begint verder van ons af te staan, boven ons. Dit juist boezemt ons, naast het gevoel van genegenheid, dat wij voor hem koesteren, omdat hij nog tot ons behoort, een gevoel van eerbied in; wij achten hem beter, hooger dan wij.

Een gelijksoortig gevoel ondervinden wij bij het aanschouwen van oude voorwerpen, ’t Is lang niet altijd de kunstwaarde of andere schoonheid, of de eigenschap van algemeen-historisch of privé souvenir, dat ons in dit onbezielde oude bekoort.

151

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt met OCR (Optical Character Recognition).
Deze techniek levert geen 100% correct resultaat op. Dat betekent dat er onjuiste tekens in de tekst kunnen voorkomen.


Weergave
Afbeelding / Tekst (OCR)

Alle boeken in deze digitale bibliotheek kunt u gratis lezen of downloaden. Met een vrijwillige donatie helpt u ons met het in stand houden en verder uitbreiden van de bibliotheek. Klik hier als u een bijdrage wilt overmaken.