simili-gothiek, imitatie-renaissance en „Ersatz”-rococo in elkander. Het is nu alles nieuw-oud; men zou kunnen zeggen: een architectonisch „chaud-froid”.
Vele jaren geleden trok de groote Engelsche dichter en sierkunstenaar William Morris, in zijne hoedanigheid van secretaris der „Society for the Protection of Ancient Buildings” (Vereeniging tot bescherming van oude gebouwen), in een artikel in „The Times” van leer tegen het in die dagen geuite voornemen tot het aanbrengen van veranderingen in de West-minster Abbey. Daarin zeide hij o. a. dit:
„In onze dagen, nu de geschiedenis zoo ijverig bestudeerd wordt naar de echte, oorspronkelijke bronnen en documenten en zij daardoor een levendigheid heeft verkregen, die zulk een tegenstelling vormt tot de vervelende en niet te waarachtige verhalen omtrent koningen en edelen, die als historie dienst deden, is het diep te betreuren, dat de allerbelangrijkste documenten, de oude gebouwen uit de middeleeuwen, het werk van verbonden denken en arbeiden van het volk, het resultaat van een sinds de vroegste levensdagen der kunst ongebroken keten van tradities, vervalscht wordt door een onrustig verlangen om iets te doen, een vulgair streven naar vormelijke volmaking, die bijna volslagen onmogelijk is in een gebouw, dat van decennium tot decennium, van eeuw tot eeuw is gegroeid .... Daar de bijzondere schoonheid van middel-eeuwsche gebouwen, die na gedurende langen tijd verwaarloosd en vergeten te zijn geweest, in deze dagen weder de aandacht trekt, behoorden nu toch wel alle intelligente men-schen haar te erkennen als een uitdrukking van de maatschappelijke toestanden van dat tijdperk, onmogelijk te repro-duceeren in de moderne samenleving”.
Dit gold in hoofdzaak het restaureeren van oude gebouwen. Wat zou Morris wel zeggen, indien hij weten kon wat er thans met de verwoeste steden en dorpen in Vlaanderen geschiedt! Hoe zou hij in zijn forsch Saksisch-Engelsch toornen tegen de schromelijke dwaasheid, die men daar heeft begaan.
Dingen van dezen aard zijn hier te lande slechts sporadisch voorgekomen. Verwoesting van talrijke steden en dorpen heeft men hier sedert eenige eeuwen niet gekend en dus ook geen herbouw op uitgebreide schaal. Men heeft hier dus geen gelegenheid gehad tot vervaardiging van namaaksels van middeleeuwsche steden en dorpen. Doch ware zij er wel geweest, dan zou het daartoe toch stellig niet zijn gekomen. In
147