ons land heerschen daaromtrent andere en betere opvattingen. Een enkele maal komt het nog wel voor, dat men een huis of openbaar gebouw optrekt in een nagebootsten stijl doch het is hoe langer hoe meer uitzondering geworden. Het blijft echter te betreuren, dat een van de grootste gebouwen van Amsterdam, het Koloniaal Instituut, tot deze uitzonderingen behoort, dat de bouw daarvan niet opgedragen werd aan een der vrij talrijke bekwame moderne architecten, die een monument van dezen tijd zou geschapen hebben, doch aan iemand, die er niets anders van wist te maken dan een zonderling samenstel van renaissance-nabootsingen.
Niet sporadisch zijn hier te lande echter de restauraties van kerken, torens, poorten en andere oude gebouwen. Daaraan wordt tamelijk veel geld besteed, vooral uit de openbare kassen; en er zijn architecten, die zich bijzonderlijk op dezen arbeid toeleggen.
Dikwijls is de vraag gerezen, of zulk herstel van oude, in verval geraakte bouwwerken toegejuicht en bevorderd, dan wel afgekeurd en tegengegaan moet worden.
Het is geen eenvoudige quaestie. Integendeel. Het is een zeer moeilijke en gecompliceerde. Gewoonlijk doet zich het geval zoo voor, dat men het eene of andere oude gebouw jaren en jaren achtereen heeft verwaarloosd en tot verval heeft laten geraken. Eindelijk is het er zoo ver mede gekomen, dat het dreigt in puin te vallen en rijst de vraag: afbreken of restau-reeren? Het is begrijpelijk en zelfs prijzenswaardig, dat er dan gewoonlijk tot het laatste besloten wordt; dat het veel beter geweest ware het gebouw intijds voor verval te behoeden, kan men den menschen van heden niet verwijten en zij, die er aansprakelijk voor gesteld zouden kunnen worden, liggen, in letterlijken zin ditmaal, op het kerkhof.
Indien nu de restauratie van zuiver technischen aard, en dus eigenlijk meer eene groote reparatie is, valt er in het geheel niets tegen te zeggen. De zaak wordt echter anders, wanneer zij meer, véél meer dan dit zelfs, wordt, als namelijk groote stukken metselwerk, smeedwerk, of houtconstructie vernieuwd, en vooral indien beeldhouw-, snij- of ander versie-ringswerk hersteld of vervangen moet worden, waarbij dikwijls genoeg bitter weinig, soms zelfs in het geheel niets van het oorspronkelijke behouden blijft. In onzen tijd worden dergelijke restauraties in den regel door bekwame en van piëteit vervulde bouwmeesters uitgevoerd, waarbij dan gewoonlijk zooveel mogelijk gebruik wordt gemaakt van oude bouw-
148