is, geen beplanting, of ten hoogste in groepen, op daarvoor geschikte punten; waar het „gewoon” is, beplanting met hoornen van monumentalen aard, het liefst in dubbele of driedubbele rijen, doch de boomen onderling en de rijen op zulken afstand van elkander, dat volle wasdom mogelijk wordt gemaakt en de dood van één boom niet dien van zijne buren en ten slotte van de geheele beplanting veroorzaakt.
Onze wegen-beplanting moet beschouwd en behandeld worden als een kostbaar goed, als een onmisbaar bestanddeel van de schoonheids des lands, dat tevens karakteristiek Neder-landsch is, want laanwegen als de onze worden buiten onze grenzen slechts zelden gevonden.
Een ander streven der Overheid in het belang van de schoonheid des lands komt tot uiting in het herstellen van in bouw-valligen toestand verkeerende gebouwen. Op zich zelf beschouwd is dit ongetwijfeld zeer loffelijk. Maar er zijn bedenkingen. Niet alles is naar behooren te restaureeren en niet alle methoden van herstel zijn aanbevelenswaardig; sommige zijn zelfs geheel verwerpelijk.
Het slechtste, dat men zich ten opzichte van deze dingen kan denken, is wel hetgeen men in België na den oorlog heeft gedaan met de verwoeste Vlaamsche steden en dorpen. Men heeft ze nagenoeg alle herbouwd als zoo volledig mogelijke copieën van hetgeen de oorlogsvlam vernietigd heeft. Dit is o. a. het geval met Ieperen, waar men de geheele stad, met inbegrip van de oude Halle en de St. Maartenskerk, op deze wijze „uit haar asch heeft doen herrijzen”, zooals dat genoemd wordt.
Het is niet voor de eerste maal, dat zulk een dwaasheid wordt bedreven. Een zeer typisch voorbeeld is dat van den herbouw van den geheel ineengestorten „Campanile” van Venetië. Doch hetgeen in België is geschied en nog bezig is te geschieden, is veel ernstiger, omdat het niet één enkel gebouw, doch geheele gewesten geldt. Dertiende- en veertiende-eeuwsche hallen, kerken en huizen, in de twintigste gebouwd — kromme straatjes en nauwe grachtjes uit middeleeuwsche vestingstadjes, zeven honderd jaar later aangelegd! Men had daar in België gelegenheid, om nu eens geheel werkelijk moderne steden en dorpen te maken. Hier had den bouwmeesters, die van „town planning” werk maken en verstand hebben, een heerlijk arbeidsveld gegeven kunnen worden. In plaats daarvan snorde men teekeningen, afbeeldingen en photographieën bij elkander en knutselde, zoo goed en zoo kwaad als het ging,
146