Indien onze wegen met vruchtboomen beplant worden, wat zal er dan terechtkomen van de roomkleurige bloesems der pruime-, de witte der pere-, de wit-met-roode der appel-boomen? Hoeveel bloemen zouden er aan de boomen blijven zitten?
De vrees is waarlijk niet overdreven, dat er niet alleen vrijwel geen bloem aan de boomen gelaten zou worden, doch dat er mèt de bloemen takken en twijgen zonder tal afgerukt, en de boomen zwaar gehavend zouden worden.
Om al deze redenen lijkt het niet verstandig, vruchtboomen langs de wegen te planten, behalve dan stellig noteboomen, aan welke trouwens behoefte bestaat, daar er in de tweede helft van het oorlogstijdperk zeer vele geveld werden, omdat van het hout geweerkolven gemaakt moesten worden.
Het planten van deze boomen is dus te beschouwen als de aangewezen oplossing van het vraagstuk, hoe onze wegen hunne schoonheid te doen behouden, nu de olmen zoo geducht geteisterd worden. Zeer zeker zijn er nog vele andere boomen, die voor wegenbeplanting in aanmerking komen: beuken, eiken, linden, platanen, berken, wilgen, al naar de gesteldheid van den bodem en den aard van het landschap, tot hetwelk de weg behoort. Doch dienaangaande is het niet noodig in beschouwingen te treden, daar deze boomen reeds veel gebezigd worden, vooral de beide eerste; en men kent de prachtige lanen, die men hun te danken heeft.
Hier en daar ziet men tegenwoordig boomen gebruikt voor wegbeplanting, die voorheen zelden of nooit voor dit doel gebezigd werden, voornamelijk lijsterbes (Sorbus aucuparia) en meidoorn (Crataegus oxyacantha). Beplanting van dezen aard is slechts aan te bevelen in zulke gevallen, waar men het uitzicht van den weg op de omgeving zoo weinig mogelijk wil belemmeren en toch eenige decoratie verlangt. In alle overige gevallen is zij vrijwel waardeloos. In den vrij kortstondigen bloeitijd is de meidoorn zeer mooi en de lijsterbes is zekerlijk alleraardigst, zoowel in bloei als tegen het einde van den zomer, wanneer de boom zijn trossen frisch-roode bessen draagt. Maar beide boomen bereiken slechts geringe hoogte, bezitten forsche stammen noch weidsche kruinen, zoodat zij geen accent vormen in het landschap, het verdeelen noch afsluiten. Een aldus beplante weg wordt nimmer een laan. Zulke aanplant verhoogt de schoonheid des lands niet, of slechts in zeer geringe mate, en is dus niet aan te bevelen. Het systeem moet zijn: waar het landschap zeer belangwekkend en schoon
Het kleine land 10
145