gende landschap onttrekt aan het oog van hen, die zich op den weg bevinden en hen dus berooft van het genieten zijner schoonheid en, als de weg over een hoogte loopt, van vergezichten.
Dit euvel is bezig een schrikbarenden omvang aan te nemen. Voor weinige jaren was het nog mogelijk de plaatsen, waar het zich voordeed, te noemen. Thans kan dit niet langer, omdat het alomtegenwoordig is. Enkele gemeenten pogen het kwaad te bestrijden, door voor te schrijven dat geen bebouwing mag geschieden dan op vrij grooten afstand van de as van den weg, en dat elk bouwterrein een min of meer aanzienlijke front-breedte hebben moet. Het is goed bedoeld en het voorkomt althans eenigermate, dat landwegen veranderd worden in stadsstraten; maar het maskeeren van het door den weg doorsneden landschap kan het niet beletten. Het eenige afdoende middel is: het leggen van een bouwverbod op de terreinen, gelegen langs verkeers- en verbindingswegen. Hiertegen wordt aangevoerd, dat zulks zou beteekenen: 1. dat den eigenaar de vrije beschikking over zijn bezit wordt ontnomen; 2. dat men den eigenaar belet te genieten van eventueele vermeerdering der waarde van zijn bezit. Wat het eerste bezwaar betreft, zij opgemerkt, dat er niets, dat strijdig is met de billijkheid, in gelegen is, wanneer het belang van den enkeling wordt ondergeschikt gemaakt aan dat der gemeenschap en dat dan ook wetten en verordeningen, die deze strekking hebben, in overvloed aanwezig en in volle werking zijn. Wat het tweede bezwaar aangaat, verlieze men niet uit het oog, dat niemand rechtens aanspraak kan maken op vermeerdering der waarde van zijn bezit, indien zij het gevolg is van den arbeid en de uitgaven van anderen. Indien het Rijk een weg aanlegt door een bepaalde streek, dan stijgt de waarde van de gronden langs dezen weg. Daartoe heeft de eigenaar echter in geen enkel opzicht bijgedragen. De waarde-vermeerdering is niet aan hem te danken en hij heeft dus geen recht tot klagen, indien het Rijk maatregelen neemt, ten gevolge waarvan de baten der waarde-vermeerdering hem ontgaan.
Indien Rijk en gemeenten een gewillig oor blijven leenen aan de hier behandelde bezwaren en dus langs verkeers- en verbindingswegen vrijelijk laten bouwen, dan zullen binnen korten tijd onze verkeersroutes op tallooze plaatsen en over afstanden van vele kilometers, in suffe straten veranderd zijn. Dan zal het voor goed gedaan zijn met het genieten van de schoonheid des landschaps. De buitenwegen zullen er dan niet
136