burgerhuizen van groote leelijkheid, die te afzichtelijker worden naar mate de bouwer versieringen heeft aangebracht. Het veranderen van heiden in aardappelenakkertjes is op zich zelf erg genoeg. Het wordt nog erger door de huisjes, die den keuterboertjes tot woonstee strekken. Wie zulke met ontginning gezegende streken bezoekt, ervaart, dat er zelden, zoo ooit, een huis staat, dat ook maar aan de matigste schoonheids-eischen voldoet. Het zelfde geldt van vele dienstgebouwtjes van de spoorwegen, electriciteitsnetten, brug- en sluiswach-terswoningen e. d., al moet worden erkend, dat daarin sinds eenigen tijd wel verbetering is gekomen. Schoonheidscommissies kunnen het kwaad aanmerkelijk temperen. Niemand zal willen beweren, dat schoonheid per verordening in het leven geroepen kan worden, of dat in gemeenten, waar schoonheidscommissies bestaan, slechts aan de hoogste aesthetische eischen beantwoordende huizen worden gebouwd. Doch het is gewettigd, te verklaren, dat zulke commissies het maken van absoluut leelijke, hinderlijke, opzichtige, banale, met het karakter van dorp en landschap strijdige gebouwen kunnen voorkomen en dit ook inderdaad doen. Hare aanwezigheid werkt bovendien prophylactisch. Wie bouwen wil in een gemeente, waar een schoonheidscommissie bestaat, weet bij voorbaat, dat een minderwaardig ontwerp niet zal worden goedgekeurd; hij zal zich dus van een behoorlijken architect voorzien en den dorps-timmerman, of, wat gewoonlijk nog erger is, den dorps-bouwkundige, links laten liggen. Waar aldus gehandeld wordt, daar zullen latere geslachten mooie dorpen vinden, al zal hunne schoonheid van anderen aard zijn, dan die welke vroegere ons gelaten hebben. Schoonheid zal er echter leven, want zij heeft niet één bepaalde gestalte, doch eindeloos talrijke vormen.
Maar het aantal gemeenten, dat zich door middel van schoon-heisdcommissies tegen vergroving beschermt, is betrekkelijk gering. In verreweg de meeste staat het iedereen vrij, het stads-, dorps- of landschapsbeeld naar believen te besmeuren en te bederven — van welke vrijheid dan ook ruimschoots en naar hartelust gebruik wordt gemaakt. Het is niet te verwachten, dat hierin spoedig en op groote schaal verandering zal komen. Een hooger gezag zal zich hier moeten laten gelden. De overstroming, die in den winter van 1916 een gedeelte van Noord-Holland teisterde, vernielde ook zeer vele hoeven en woningen, onder welke zeer vele oude en fraaie. Men was beducht, dat leelijke ze bij den wederopbouw zouden vervan-
134