En de molen zelf is, waar hij ook sta: op een berg in het heuvelland, midden in of bij de dorpskom, aan de ringvaart, in het hart van den polder, aan het boezemwater, en van welken bouw hij ook moge wezen: standerd-, paltrok—, ronde of achtkantige bovenkruier, tjasker- of wipmolen, altijd prachtig, onafscheidelijk van ons land, dat men zich niet zou kunnen voorstellen geheel van molens ontbloot. Vereenigingen tot bevordering van het vreemdelingenverkeer, stoomvaart- en spoorwegmaatschappijen, die in het buitenland aandacht vragen voor Nederland en daartoe beschrijvende en verlokkende boekjes verspreiden, verzuimen nooit een voorname plaats te geven aan den windmolen — terecht, want hij is een der karakteristiekste elementen van de aantrekkelijkheid dezer landen. Wat zullen zij doen als nog slechts enkele molens, cultuur-historische curiosa, zullen overgebleven zijn? Als de molen verdwenen is, hebben zij immers niets, dat den buitenlander onmiddellijk zegt: dit landschap is Holland. Zonder zijne molens zal Holland inderdaad niet meer Holland wezen. Met den molen verliest ons land niet slechts een stuk van zijn schoonheid, doch ook een deel van zijn karakter, want de molen behoort er toe, alsof hij uit den vaderlandschen bodem ware opgegroeid.
Ad 10. Degene, die, waarnemend en begrijpend, onze oude dorpen bezoekt, kan ze niet aanschouwen, zonder te worden vervuld van bewondering voor de timmerlieden en metselaars van het verleden, pretentielooze ambachtslieden, die in hun eenvoud huizen, hoeven, molens enz. bouwden, in bescheidenheid zoo schoon, of schooner dan het werk van menigen befaamden en gevierden bouwmeester van onzen tijd. Doch het zal hem tevens treffen, dat de tegenwoordige dorps-timmerman of -metselaar het vermogen verloren heeft de traditie voort te zetten. Wat de dorps-ambachtslieden van onze dagen, aan zich zelf overgelaten, maken en gemaakt hebben, is bijna zonder uitzondering van weergalooze banaliteit en onzegbare leelijkheid. Nagenoeg geen enkele heeft meer eenig begrip van verhoudingen, van afmeting en indeeling van deuren en vensters, van het spel van vormen en lijnen, van versiering en kleur. Alom treft men tusschen de mooie oude huizen en hoeven allerlei gedrochtelijke bouwsels aan, die werken als vuile vlekken op een staatsiekleed; en nieuwe buurten bestaan maar al te dikwijls geheel uit dergelijke monsterachtigheden. In alle oorden des lands vindt men villa’s en
133